ECLI:NL:HR:2002:AD7735
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt ontnemingsvordering wegens onjuiste waardering wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene heeft vastgesteld op ƒ141.681,36 en hem tot betaling aan de Staat heeft veroordeeld. Het hof bevestigde een vonnis van de rechtbank Rotterdam dat de betrokkene veroordeelde voor medeplegen van dealen van heroïne en cocaïne in de periode oktober tot december 1996.
De betrokkene was tijdens de procedure in hoger beroep afwezig wegens vakantie in Marokko. Zijn raadsman verzocht ter zitting om aanhouding van de behandeling zodat de betrokkene zelf een verklaring kon afleggen, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het belang van een redelijke termijn boven het recht op aanwezigheid van de betrokkene heeft laten prevaleren, mede omdat de betrokkene tijdig op de hoogte was gesteld van de zitting.
Het belangrijkste cassatiepunt betrof de wijze waarop het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel had berekend. Het hof had als uitgangspunt genomen de gemiddelde opbrengst per kilo heroïne die vanuit Nederland naar Frankrijk werd gebracht, terwijl feit 2 betrekking had op dealen in Nederland. De Hoge Raad oordeelde dat deze waardering onbegrijpelijk was en vernietigde het arrest. De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam voor hernieuwde behandeling en beslissing.
De overige klachten van de betrokkene werden verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 12 maart 2002.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling.