ECLI:NL:HR:2002:AD7857

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00082/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, eerste lid, onder c, OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet bevestigd door Hoge Raad

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te Arnhem het vonnis van de Politierechter te Zwolle vernietigd en verdachte veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder c, van de Opiumwet. De straf bestond uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor zestig uur en een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair 35 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij zijn advocaat een middel van cassatie indiende. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat er geen reden was om het arrest ambtshalve te vernietigen.

De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Hiermee blijft de strafoplegging ongewijzigd en wordt het vonnis van het hof definitief. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 12 maart 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; het arrest van het hof Arnhem wordt bevestigd.

Uitspraak

12 maart 2002
Strafkamer
nr. 00082/01
ag/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 november 2000, nummer 21/001731-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 21 februari 2000 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren, in plaats van vier weken gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van tweeduizend gulden, subsidiair 35 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 12 maart 2002.