ECLI:NL:HR:2002:AD9103

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36992
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 57 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
1 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over staken onderneming en vervangingsreserve inkomstenbelasting

Belanghebbende en haar echtgenoot exploiteerden een café-restaurant in een schouwburg en beëindigden deze exploitatie per 30 juni 1996. De inventaris en goodwill werden overgedragen aan de gemeente, en de exploitatie werd voortgezet door een andere partij. De vennootschap onder firma bleef echter bestaan. De Inspecteur stelde dat de onderneming was gestaakt en voegde de vervangingsreserve toe aan de belastbare winst.

Het hof oordeelde dat belanghebbende haar onderneming niet had gestaakt omdat zij op zoek was naar een vergelijkbare horecagelegenheid om de exploitatie voort te zetten, en stelde de aanslag op nihil. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat uit de feiten volgt dat de onderneming wel degelijk is gestaakt, waardoor geen vervangingsreserve kan worden gevormd.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling van het subsidiaire standpunt van belanghebbende. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken; het verwijzingshof zal beoordelen of vergoeding van proceskosten aan belanghebbende toekomt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling over de staken onderneming en vervangingsreserve.

Uitspraak

Nr. 36.992
8 februari 2002
FA
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 2001, nr. BK-98/04536, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 109.767, waarvan een bedrag van f 57.439 belast naar het tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteerde tezamen met haar echtgenoot, in de vorm van een vennootschap onder firma, een café-restaurant dat gevestigd was in de schouwburg van Q.
Per 30 juni 1996 hebben belanghebbende en haar echtgenoot de exploitatie van deze horecagelegenheid beëindigd. In verband daarmee zijn de inventaris en goodwill overgedragen aan de gemeente Q. Per die datum hebben belanghebbende en haar echtgenoot het gebruik van de ruimte in de schouwburg beëindigd en zijn de dienstbetrekkingen met het personeel beëindigd. De exploitatie van het café-restaurant is onder dezelfde naam voortgezet door een andere exploitant.
Na de beëindiging van de exploitatie door belanghebbende en haar echtgenoot is de vennootschap onder firma blijven bestaan.
Belanghebbende heeft de met de overdracht van inventaris en goodwill gerealiseerde boekwinst toegevoegd aan een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende haar onderneming heeft gestaakt. Op grond daarvan heeft hij het bedrag van de vervangingsreserve aan de belastbare winst toegevoegd.
3.2. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende en haar echtgenoot na beëindiging van de exploitatie van de horecagelegenheid op zoek zijn gegaan naar een soortgelijke horecagelegenheid waarin zij de exploitatie van het door hen gedreven café-restaurant konden voortzetten. Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende haar onderneming in 1996 niet heeft gestaakt, en dat belanghebbende mitsdien een vervangingsreserve kon vormen voor de boekwinst die is behaald bij de beëindiging van de exploitatie van de horecagelegenheid.
3.3. Het tegen dit oordeel gerichte middel treft doel. De hiervóór in 3.1 weergegeven feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende haar onderneming in 1996 heeft gestaakt. Voor de vorming van een vervangingsreserve is mitsdien geen plaats.
3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van het subsidiaire standpunt van belanghebbende bij het Hof.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2002.