ECLI:NL:HR:2002:AD9591

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/145HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.H.M. Jansen
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het conservatoir beslag op onverdeeld aandeel in perceel grond

In deze zaak vorderde eiseres in kort geding de opheffing van een conservatoir beslag dat verweerder had gelegd op zijn onverdeeld aandeel in een perceel grond. De President van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch wees de gevraagde voorziening toe, waarna eiseres hoger beroep instelde bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het Hof bekrachtigde het vonnis van de President. Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof.

Verweerder was in cassatie niet verschenen, waarna verstek tegen hem werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen en eiseres in de kosten te veroordelen. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep van eiseres, waarbij zij in de kosten van het geding in cassatie werd veroordeeld, tot op deze uitspraak begroot op nihil aan de zijde van verweerder.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, aangezien de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het conservatoir beslag op het onverdeeld aandeel in het perceel grond.

Uitspraak

1 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/145HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], wonende te [woonplaats C],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 7 juni 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd - kort gezegd en voor zover in cassatie van belang - [eiseres] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen het ten verzoeke van haar en ten laste van [verweerder] op 26 april 1999 gelegde conservatoire beslag op het aan [verweerder] in eigendom toebehorend onverdeeld aandeel in het perceel grond, gelegen te [woonplaats C] aan de [a-straat] op te heffen.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 6 juli 1999 - voor zover in cassatie van belang - de gevraagde voorziening toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 13 maart 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiseres] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.