ECLI:NL:HR:2002:AE3561
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij verzoek tot uitlevering en niet-ontvankelijkheid bij onvindbaarheid opgeëiste persoon
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon uit Colombia door de Verenigde Staten van Amerika, waarbij de rechtbank te 's-Gravenhage zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het verzoek, omdat de voorlopige aanhouding elders had plaatsgevonden. De officier van justitie stelde dat de rechtbank wel bevoegd was op grond van artikel 20 van Pro de Uitleveringswet, mede omdat de zaak was aangevangen met een rechtshulpverzoek van Duitsland in hetzelfde arrondissement.
De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid afhankelijk is van de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevindt en dat het Duitse verzoek niet gericht was op uitlevering, zodat de rechtbank niet bevoegd was. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de rechtbank wel bevoegd was, omdat het uitleveringsverzoek voortvloeide uit het feitencomplex dat door het Duitse verzoek was opgeleverd.
Vervolgens werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon in Nederland onvindbaar was, waardoor de behandeling van het uitleveringsverzoek niet mogelijk was. De Hoge Raad verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het verzoek tot uitlevering.
De Hoge Raad bepaalde dat de opgeëiste persoon moest worden opgeroepen voor een zitting, maar deze verscheen niet. De behandeling werd aangehouden en later wederom zonder verschijning van de opgeëiste persoon, waarna het onderzoek werd geschorst. De uitspraak bevestigt de noodzaak van fysieke aanwezigheid van de opgeëiste persoon voor behandeling van het uitleveringsverzoek en verduidelijkt de toepassing van artikel 20 Uitleveringswet Pro inzake bevoegdheid.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.