ECLI:NL:HR:2002:AE3566
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij uitleveringsverzoek Verenigde Staten tegen opgeëiste persoon
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika tegen een in Nederland verblijvende persoon, gedetineerd te Nieuwegein. De rechtbank Den Haag verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot uitlevering omdat de voorlopige aanhouding niet in haar arrondissement had plaatsgevonden, en wees tevens de vordering tot gevangenhouding af.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte zich onbevoegd had verklaard, omdat op grond van artikel 20, tweede lid, van de Uitleveringswet de rechtbank Den Haag wel bevoegd was gezien eerdere betrokkenheid bij een rechtshulpverzoek van Duitsland dat verband hield met hetzelfde feitencomplex. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en beval de oproeping van de opgeëiste persoon voor een zitting.
De opgeëiste persoon verscheen niet op de zittingen van 3 september en 10 december 2002, en bleek onvindbaar. De Advocaat-Generaal adviseerde de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot uitlevering. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens het feit dat het verzoek niet kon worden behandeld zolang de opgeëiste persoon onvindbaar is.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot uitlevering wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.