ECLI:NL:PHR:2007:AZ8351
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in uitleveringsverzoek wegens vermoedelijk overlijden opgeëiste persoon
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Republiek Suriname gericht op een persoon die verdacht wordt van diefstal met geweld en opzetheling. De Nederlandse autoriteiten onderzochten de identiteit van de opgeëiste persoon, die zich onder een andere naam had gemeld in Nederland. Dactyloscopisch onderzoek wees uit dat deze persoon identiek was aan de opgeëiste.
Echter, uit medische en administratieve gegevens bleek dat de persoon vermoedelijk op 11 oktober 2006 in Amsterdam was overleden. De familie bevestigde dit en er werd een overlijdensakte opgemaakt. Pogingen om de verblijfplaats van de opgeëiste persoon in Nederland te achterhalen leverden niets op, mede omdat hij na detentie spoorloos was vertrokken.
De rechtbank had eerder het uitleveringsverzoek afgewezen, maar de Hoge Raad vernietigde dit en beval een zitting. Na aanvullend forensisch onderzoek en overleg met medische instanties concludeerde de Hoge Raad dat het verzoek tot uitlevering niet vatbaar was voor inwilliging, omdat de opgeëiste persoon waarschijnlijk overleden is. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek wegens vermoedelijk overlijden van de opgeëiste persoon.