ECLI:NL:HR:2002:AE4369
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting ondanks betwisting bewijs vervoer intracommunautaire leveringen
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor omzetbelasting over de periode 1 januari 1995 tot 30 juni 1996, inclusief een verhoging die deels werd kwijtgescholden. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de naheffingsaanslag grotendeels gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de overgangsregeling voor intracommunautaire leveringen in strijd was met het EG-recht, met name het interne marktprincipe, omdat het nultarief afhankelijk werd gesteld van het bewijs van vervoer naar een andere lidstaat.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat het nultarief afhankelijk mag zijn van het bewijs dat de goederen daadwerkelijk naar een andere lidstaat zijn vervoerd. Dit is niet in strijd met het EG-Verdrag, waaronder artikel 14, 28, 29 en 90 EG. De Hoge Raad bevestigde dat het stellen van bewijsvereisten geen discriminatie inhoudt en dat het niet aantonen van vervoer het nultarief uitsluit.
Verder wees de Hoge Raad erop dat de belastingplichtige niet het juiste rechtsmiddel had aangewend om de geldigheid van de Zesde richtlijn aan te vechten. Door niet tijdig bezwaar te maken en geen prejudiciële vragen te stellen, had belanghebbende de geldigheid van de richtlijn geaccepteerd. Het niet voldoen aan de bewijsverplichting en het lichtvaardig betwisten van de richtlijn leidde tot grove schuld en rechtvaardigde de naheffingsaanslag met verhoging.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de naheffingsaanslag en de verhoging gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting inclusief verhoging.