ECLI:NL:HR:2002:AE7012

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/003HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 Rv (oud)Art. 256 Rv (oud)Rijkswet van 20 juli 1961, Stb. 212
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep na verlies hoedanigheid advocaat tijdens procedure

Eiseres heeft beroep in cassatie ingesteld tegen vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Haar advocaat, mr. D. Koningen, heeft echter op 15 december 2000 zijn praktijk neergelegd en is van het tableau geschrapt. Verweerders in cassatie hebben geen verweerschrift ingediend en eiseres heeft geen schriftelijke toelichting gegeven.

De Hoge Raad constateert dat de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba geen regeling bevat voor het verlies van de hoedanigheid van advocaat tijdens de cassatieprocedure. Daarom wordt de zaak beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het oude Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij analoog wordt toegepast dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst.

De Hoge Raad wijst erop dat de griffie tevergeefs contact heeft gezocht met de advocaat om het procesdossier in te leveren, en concludeert dat de procedure niet kan worden voortgezet zonder vertegenwoordiging. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2002.

Uitkomst: De procedure is met ingang van 15 december 2000 van rechtswege geschorst vanwege het verlies van de hoedanigheid van advocaat door de raadsman van eiseres.

Uitspraak

25 oktober 2002
Eerste Kamer
Nr. R00/003HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], wonende [te woonplaats], Nederlandse Antillen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. D. Koningen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
3. [Verweerder 3],
allen wonende [te woonplaats], Nederlandse Antillen,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 januari 2000 beroep in cassatie ingesteld tegen de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 1 juni 1999 en 12 oktober 1999, welk verzoekschrift is ondertekend door mr. D. Koningen, advocaat bij de Hoge Raad.
Bij aangetekende brieven van 17 januari 2000 en 1 februari 2000 heeft de griffie van de Hoge Raad verweerders in cassatie een afschrift van het verzoekschrift van [eiseres] gestuurd met de mededeling dat zij uiterlijk tot en met 17 april 2000 een verweerschrift konden indienen.
Verweerders in cassatie hebben geen verweerschrift ingediend.
Op de voor het nemen van schriftelijke toelichting bepaalde dag, 9 februari 2001, is namens [eiseres] geen schriftelijke toelichting genomen en is ook niet gefourneerd. Met ingang van die datum is de zaak van de rol gevoerd.
De griffie van de Hoge Raad heeft op 16 mei 2001, 27 september 2001, 2 oktober 2001 en op 29 november 2001 tevergeefs telefonisch contact gezocht met mr. Koningen om hem te vragen het procesdossier in te leveren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt ertoe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst.
2. Beoordeling
Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat mr. D. Koningen met ingang van 15 december 2000 zijn praktijk heeft neergelegd en van het tableau is geschrapt. Nu de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet van 20 juli 1961, Stb. 212) geen bepaling betreffende het verlies van de hoedanigheid van advocaat bevat, dient dit cassatieberoep te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat gold tot 1 januari 2002. De elfde titel van dit Wetboek bevat geen regeling voor het geval dat een advocaat in de loop van de cassatieprocedure zijn hoedanigheid van advocaat verliest. Derhalve dient te worden beslist naar analogie van de regeling van art. 254 lid Pro 4 (oud) in verbinding met 256 lid 2 (oud) Rv.
3. Beslissing
De Hoge Raad verstaat dat de procedure met ingang van 15 december 2000 van rechtswege is geschorst.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 oktober 2002.