ECLI:NL:HR:2002:AE7368
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en eedaflegging bij civiele diefstalvordering tussen neven
In deze civiele procedure vordert verweerder betaling van ƒ 60.000,-- wegens diefstal van geld en goederen door eiser, zijn neef. De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van ƒ 38.000,-- na bewijslevering, waarbij getuigen, waaronder verweerder en een andere neef, de eed aflegden volgens de Nederlandse formulering "Zo waarlijk helpe mij God almachtig".
Eiser betwistte de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen omdat de getuigen moslim zijn en de eed niet op de Koran hebben afgelegd, zoals volgens hem vereist is. Het hof verwierp dit verweer en bevestigde het vonnis.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet getuigen de keuze laat de eed op hun eigen wijze af te leggen en dat de rechter niet hoeft te onderzoeken of een andere wijze van eedaflegging op grond van godsdienstige gezindheid vereist is. Het beroep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.