ECLI:NL:HR:2002:AE8155

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36958
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet op de loonbelasting 1964Art. 11 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990Art. 16c Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering personeelsreizen en naheffingsaanslag loonbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1993 tot en met 1997. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd, maar zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in tegen het Hofarrest.

Het Hof had geoordeeld dat de reizen van de partners van directieleden moesten worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, omdat er geen zakelijk belang was en de partners vrijwillig meereisden. Dit oordeel is feitelijk en kan in cassatie niet worden getoetst. Ook oordeelde het Hof terecht dat artikel 11 van Pro de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 niet van toepassing was op geheel verzorgde vakantiereizen.

De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris die stelden dat het Hof onjuist had om vervoerskosten en drempelbedragen in mindering te brengen. De waardering van personeelsreizen werd bevestigd. De Hoge Raad veroordeelde de Staat in de proceskosten van belanghebbendes cassatieberoep en wees de Staat als rechtspersoon aan voor betaling.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 27 september 2002, waarmee het Hofarrest werd bekrachtigd en de naheffingsaanslag en waardering van reizen werden bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt de waardering van personeelsreizen en naheffingsaanslag.

Uitspraak

Nr. 36958
27 september 2002
IB
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z, almede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 januari 2001, nr. P99/1787, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting / premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 15.486 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van f 14.476. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht van belanghebbende
Het Hof heeft geoordeeld dat de reizen van de partners van de directieleden in de jaren 1993, 1995 en 1996 in aanmerking moeten worden genomen naar de besparingswaarde en dat dit onder de gegeven omstandigheden neerkomt op de waarde in het economische verkeer. Tegen dit oordeel is de klacht van belanghebbende gericht. Het Hof heeft het bestreden oordeel gegrond op zijn oordelen dat bij de deelname door de partners niet of nauwelijks een zakelijk belang van de werkgever aanwezig was en dat zij (vrijwillig) meegingen uit eigen persoonlijke behoeftebevrediging en die van haar echtgenoot, alsmede dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de privé-besparing als gevolg van het meereizen van de partners minder bedroeg dan de waarde in het economische verkeer. Deze oordelen kunnen, als van feitelijke aard, in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht de reizen in aanmerking genomen naar hun waarde in het economische verkeer. Artikel 11 van Pro de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is, anders dan waarvan de klacht van belanghebbende uitgaat, in het onderhavige geval niet van toepassing. Dit artikel geldt alleen indien de werkgever binnen het kader van de dienstbetrekking, al dan niet met behulp van derden, kost en inwoning en/of maaltijden verstrekt, niet voor de waardering van geheel verzorgde vakantiereizen.
4. Beoordeling van de middelen van de Staatssecretaris
4.1. Het eerste middel betoogt dat het Hof voor het jaar 1997 ten onrechte de vervoerskosten van de directieleden ten bedrage van f 650, alsmede de in artikel 16c van de Uitvoeringsregeling genoemde drempel van f 750, in mindering heeft toegelaten op het op de grond van artikel 13 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) (tekst 1997) juncto 16c van de Uitvoeringsregeling in aanmerking te nemen bedrag. Het middel faalt. Het Hof heeft overwogen dat de vervoerskosten van de directieleden hoe dan ook gemaakt moesten worden om de directieleden in staat te stellen de jaarvergadering van de Vereniging te bezoeken, waarvan niet in geschil was dat dit uit zakelijke overwegingen gebeurde. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Verder heeft het Hof, in cassatie niet meer in geschil, geoordeeld dat de door de directeuren gemaakte reizen overigens kunnen worden aangemerkt als personeelsreizen in de zin van artikel 16c van de Uitvoeringsregeling. Uitgaande van deze oordelen heeft het Hof terecht beslist dat voor de toepassing van artikel 16c van de Uitvoeringsregeling uitsluitend in aanmerking moeten worden genomen de kosten van de reis voor zover deze niet zijn toe te rekenen aan het zakelijk gedeelte van die reis en dat op dit gedeelte de vrijstelling van artikel 16c Uitvoeringsregeling in mindering moet worden gebracht.
4.2. Het tweede middel bestrijdt 's Hofs oordeel dat voor de waardering van de in 1997 verstrekte personeelsreizen moet worden uitgegaan van een bedrag van f 2836 per paar. Het middel faalt, aangezien die waardering niet in geschil was.
4.3. Het derde middel betoogt dat het Hof voor de deelname van de directieleden aan de reis in 1996 ten onrechte is uitgegaan van een besparing van slechts twee maal f 510. Voor deze waardering heeft het Hof het door de Inspecteur genoemde bedrag van f 510 per directielid gevolgd. Nu 's Hofs oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het voor het overige berust op waarderingen van feitelijke aard, moet het - nu het niet onbegrijpelijk is - in cassatie worden geëerbiedigd.
5. Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris zal deze worden veroordeeld in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad
verklaart zowel het beroep van belanghebbende als het beroep van de Staatssecretaris ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2002.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.