ECLI:NL:HR:2002:AF0075
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de berekeningswijze van vermindering ter voorkoming van dubbele belasting in belastingverdrag Nederland-Zwitserland
In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting werd toegepast. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd door de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verhogen. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Het centrale geschilpunt betrof de uitleg van het begrip 'het gehele inkomen' in het Slotprotocol van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland van 1951, zoals gewijzigd in 1966. De vraag was of dit begrip moet worden opgevat als het onzuivere inkomen of het belastbare inkomen volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'het gehele inkomen' niet dynamisch moet worden geïnterpreteerd aan de hand van latere ontwikkelingen in andere belastingverdragen of nationale regelingen. Het Hof had terecht geoordeeld dat 'het gehele inkomen' het belastbare inkomen betekent zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit oordeel werd bevestigd omdat het begrip in het verdrag ongewijzigd is gebleven en geen aanwijzingen bestaan voor een andere gemeenschappelijke uitleg door de verdragsluitende staten.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Tevens werd een griffierecht geheven ten laste van de Staat.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.