ECLI:NL:PHR:2003:AF2699
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie van de 183-dagenregeling in belastingverdrag Nederland-Brazilië en de betekenis van het OESO-Commentaar
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam op een schip dat tijdelijk op het continentale plateau van Brazilië voer, stelde dat voor de toepassing van artikel 15, lid 2, onderdeel a, van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië het aantal dagen waarop activiteiten werden verricht ('activity') moest worden geteld in plaats van fysieke aanwezigheid ('physical presence').
Het Hof concludeerde dat internationale consensus sinds 1992 uitgaat van de fysieke aanwezigheid als maatstaf voor de 183-dagenregeling, conform het OESO-Commentaar. Brazilië, hoewel geen OESO-lid, heeft geen afwijkend standpunt ingenomen. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het beroep van belanghebbende af.
Daarnaast bevat het arrest een uitgebreide analyse van de interpretatie van belastingverdragen, met name de rol van het OESO-Modelverdrag en het bijbehorende Commentaar. De Hoge Raad benadrukt dat het OESO-Commentaar ten tijde van de verdragsluiting als context kan gelden, maar latere versies slechts als aanvullend interpretatiemiddel en beleidsstandpunt van de uitvoerende macht. De fysieke aanwezigheid wordt als meest praktische en doelgerichte maatstaf gezien voor de 183-dagenregeling, waarbij ook korte onderbrekingen buiten de werkstaat niet meetellen.
De uitspraak bevestigt dat de Nederlandse rechter het verdrag autonoom moet uitleggen, met inachtneming van het Weens Verdragenverdrag en het OESO-Commentaar, en dat het belang van rechtszekerheid en consistentie tussen verdragen voorop staat.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de 183-dagenregeling wordt toegepast op basis van fysieke aanwezigheid en wijst het beroep van belanghebbende af.