ECLI:NL:HR:2003:AF1414
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep na tussenvonnis in hoger beroep bij bodemverontreiniging
In deze zaak gaat het om een geschil tussen eiseres en verweerster over de vergoeding van kosten voor sanering van bodemverontreiniging na beëindiging van huurovereenkomsten voor een tankstation en automobielbedrijf. Verweerster vorderde betaling van de saneringskosten van eiseres en haar directeur. De Kantonrechter wees de vordering tegen de directeur af en liet bewijslevering toe tegen eiseres. De Rechtbank bekrachtigde het tussenvonnis van de Kantonrechter, behalve voor een onderdeel dat een eindbeslissing bevatte.
Eiseres stelde beroep in cassatie in tegen het vonnis van de Rechtbank van 6 maart 2002, maar verweerster voerde niet-ontvankelijkheid aan. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 401a lid 2 Rv, dat geldt sinds 1 januari 2002, beroep in cassatie tegen een tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de Rechtbank anders bepaalt, wat hier niet het geval was.
Het betoog van eiseres dat de regeling niet van toepassing zou zijn op tussenvonnissen in hoger beroep en dat een uitzondering op de overgangsbepaling gerechtvaardigd zou zijn, werd verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat partijen de mogelijkheid hadden om tussentijds cassatieberoep te vragen, maar dit niet hebben gedaan.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van eiseres niet-ontvankelijk en veroordeelde haar in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen het tussenvonnis.