ECLI:NL:PHR:2003:AF1414
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenvonnis in civiele procedure na wetswijziging 2002
Deze zaak betreft de ontvankelijkheid van een cassatieberoep tegen een tussenvonnis in appel van de rechtbank, gewezen na 1 januari 2002, waarbij de Hoge Raad de toepassing van artikel 401a Rv. centraal stelt.
De feiten betreffen een geschil over saneringskosten tussen eiseres en verweerster, voortvloeiend uit huurovereenkomsten voor een tankstation en aanhorigheden. Na diverse bodemonderzoeken en saneringen vorderde verweerster betaling van saneringskosten van eiseres en een derde partij. De kantonrechter wees de vordering tegen de derde af en liet het bewijs toe omtrent vervuiling door eiseres. Verweerster kwam in hoger beroep tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis, dat door de rechtbank werd bekrachtigd, waarna eiseres cassatieberoep instelde.
De kern van het geschil is de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het tussenvonnis in appel. De Hoge Raad analyseert de wetswijziging per 1 januari 2002, waarbij tussentijds cassatieberoep tegen tussenvonnissen in principe is uitgesloten, tenzij de rechter toestemming verleent. De memorie van toelichting en parlementaire geschiedenis worden uitgebreid besproken, waarbij het doel van versnelde en doelmatige procedures en redelijke termijn conform artikel 6 EVRM Pro centraal staan.
De Hoge Raad concludeert dat het tussenvonnis in appel niet de mogelijkheid tot tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld en dat het cassatieberoep daarom niet ontvankelijk is. Dit oordeel bevestigt de nieuwe regeling en het overgangsrecht, waarbij het oude recht niet van toepassing is op uitspraken na 1 januari 2002.
De conclusie van de Advocaat-Generaal luidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van eiseres.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen het tussenvonnis is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming van de rechter.