ECLI:NL:HR:2003:AF3361
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldboete wegens overtreding Wet goederenvervoer over de weg ondanks beroep op rechtsdwaling
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin de verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 14, eerste lid, van de Wet goederenvervoer over de weg (Wgw). De tenlastelegging betrof het verrichten van beroepsvervoer met bestuurders die niet in dienst waren bij de vergunninghouder, over de periode van januari tot maart 1999, op wegen open voor het openbaar verkeer, waaronder vervoer in Europa.
De verdediging voerde onder meer aan dat de plaatsaanduiding in de tenlastelegging onvoldoende duidelijk was, omdat de aanduiding "in elk geval in Europa" te vaag was en niet duidelijk maakte of het vervoer binnen de EU, EER of derde landen plaatsvond. Dit verweer werd door het hof verworpen, en de Hoge Raad bevestigt dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en niet nietig verklaard hoeft te worden.
Daarnaast stelde de verdediging dat sprake was van verontschuldigbare rechtsdwaling, omdat de regelgeving omtrent het goederenvervoer over de weg complex en onduidelijk was, en de verdachte meerdere instanties had geraadpleegd zonder duidelijke waarschuwing dat haar handelwijze onrechtmatig was. De Hoge Raad oordeelt echter dat de omstandigheden onvoldoende zijn om een verschoonbare dwaling aan te nemen en dat de verdachte strafbaar blijft. De eerdere vrijspraak in een vergelijkbare zaak door de economische politierechter leidt niet tot een ander oordeel.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof slechts voor wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit en wijzigt deze in "overtreding van artikel 14, eerste lid, Wgw, begaan door een rechtspersoon, vijfentwintig maal gepleegd". Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat de opgelegde geldboete van 50.000 gulden, waarvan 40.000 voorwaardelijk, moet worden begrepen als vijfentwintig afzonderlijke boetes van 2.000 gulden, waarvan telkens 1.600 gulden voorwaardelijk. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot vijfentwintig geldboetes wegens overtreding van artikel 14, eerste lid, Wgw; beroep op rechtsdwaling wordt verworpen.