ECLI:NL:HR:2003:AF4333

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00801/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SvArt. 422 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie wegens niet-ontvankelijkheid en onrechtmatige bewijsgaring

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling en bedreiging met zware mishandeling en brandstichting. Verdachte stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege onrechtmatig gebruik van dwangmiddelen, met name de onnodige inverzekeringstelling en het uitstellen van het eerste verhoor.

De raadsman van verdachte voerde aan dat de politie de eerste zes uren had kunnen gebruiken voor verhoor, maar dit niet deed vanwege het wachten op het crisisteam van de RIAGG. Dit zou het recht van verdachte op een eerlijke behandeling schenden en leiden tot niet-ontvankelijkheid of vrijspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof weliswaar had nagelaten dit verweer uitdrukkelijk te beoordelen, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat het verweer onvoldoende grond bood om het recht op een eerlijke behandeling te schenden. Ook het beroep op onrechtmatige bewijsgaring faalde omdat het niet voldoende gespecificeerd was. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.

Uitspraak

15 april 2003
Strafkamer
nr. 00801/02
ES/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 9 november 2001, nummer 21/000209-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 februari 2001 - de verdachte ter zake van 1. "mishandeling" en 2. "bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met brandstichting" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld en deze bij pleidooi toegelicht. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op een in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde gevoerd verweer dat primair strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en subsidiair tot vrijspraak.
3.2. Blijkens de in hoger beroep door de raadsman overgelegde pleitnota heeft deze aldaar, voorzover voor de
beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:
"Het is natuurlijk een volstrekt oneigenlijk gebruik van de dwangmiddelen die het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie ter beschikking stelt. Het is onoorbaar deze middelen te gebruiken voor volstrekt andere doeleinden dan de wet ermee beoogt. Het optreden van beide officieren van justitie is niet goed geweest. Tot een dergelijke conclusie kwam eerder ook al het Gerechtshof dat het proces-verbaal van de Rijksrecherche in de zaak van de burgemeester heeft beoordeeld. Feitelijk zou het onrechtmatige gebruik van dwangmiddelen tegen [verdachte] voor wat betreft de onderhavige tenlastelegging moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in diens vervolging. Immers [verdachte] is volstrekt onnodig in verzekering gesteld nadat hij van 's morgens kwart over acht tot vijf voor drie 's middags ingesloten zat en in die tijd kon worden gehoord. Maar uit het proces-verbaal is klip en klaar op te maken dat het eerste verhoor van [verdachte] plaats vond vanaf 14.45 en nadien heeft er nog een tweede verhoor plaatsgevonden later in de middag. De eerste zes uren had de politie eenvoudig kunnen benutten voor verhoor, maar dat ging niet omdat immers allereerst de komst van het crisisteam van de RIAGG diende te worden afgewacht, daarom was [verdachte] immers aangehouden buiten heterdaad. Dit valt vast te stellen uit het proces-verbaal en het onderzoek van de Rijksrecherche. Indien de onrechtmatig toegepaste dwangmiddelen niet tot de niet-ontvankelijkheid leiden, dient [verdachte] wel te worden vrijgesproken in verband daarmee."
3.3. Het Hof heeft verzuimd op het aldus gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging bepaaldelijk een beslissing te geven. Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Het Hof had dat verweer immers slechts kunnen verwerpen, omdat het aan dat verweer ten grondslag gelegde, te weten dat de verdachte onnodig in verzekering is gesteld, omdat het verhoor door de politie daaraan voorafgaand had kunnen geschieden, niet tot het oordeel kan leiden dat aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
3.4. Voorzover het middel ervan uitgaat dat de raadsman subsidiair een beroep op onrechtmatige bewijsgaring heeft gedaan, faalt het omdat het Hof het aldus aangevoerde niet behoefde op te vatten als een voldoende gespecificeerd beroep op onrechtmatige bewijsgaring.
3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat in cassatie niet is geklaagd over de niet-naleving door het Hof van het voorschrift van art. 422, tweede lid, Sv.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 april 2003.