ECLI:NL:HR:2003:AF5102

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/074HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 278 RvArt. 359 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring huwelijk na enquête en bevestiging in hoger beroep

In deze zaak stond de nietigverklaring van een huwelijk centraal, voltrokken in 1992 te Amsterdam. Na toelating van bewijslevering door de rechtbank volgden enquête en contra-enquête. De rechtbank verklaarde het huwelijk nietig in een eindbeschikking van 17 oktober 2001. De verzoekster stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de nietigverklaring op 20 juni 2002 bekrachtigde.

De verzoekster ging vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken in het geding en stelt vast dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de eerdere beslissingen. De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 25 april 2003.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de nietigverklaring van het huwelijk.

Uitspraak

25 april 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/074HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. F.A.M. van Bree,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. De loop van het geding in voorgaande instanties
Voor de loop van het geding in voorgaande instanties tussen thans verweerder in cassatie - verder te noemen: de neef - en thans verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 11 februari 2000, nr. R 99/018, NJ 2000, 259. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad in het principaal beroep de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 1998 vernietigd en de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 28 januari 1998 bekrachtigd.
Vervolgens heeft de Rechtbank te Amsterdam bij tussenbeschikking van 28 juni 2000 de neef tot bewijs-levering toegelaten.
Na enquête en contra-enquête heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 17 oktober 2001 het op 26 maart 1992 te Amsterdam voltrokken huwelijk tussen [betrokkene 1] en [verzoekster] nietig verklaard.
Tegen deze eindbeschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 20 juni 2002 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De neef heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 25 april 2003.