ECLI:NL:PHR:2005:AO4322
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en beperkingen van de provianderingsvrijstelling voor accijnsgoederen aan boord van binnenvaartschepen
Belanghebbende exploiteert het motorpassagiersschip 'E' en maakte gebruik van de provianderingsvrijstelling van artikel 66a van de Wet op de accijns voor accijnsgoederen aan boord. Het Hof stelde vast dat een deel van de goederen niet in Nederland, maar in Duitsland aan boord werd gebracht, waardoor de vrijstelling niet van toepassing was. De levering via een leverancier zonder de juiste vergunning leidde tot naheffingen accijns en omzetbelasting.
Het hof oordeelde dat de provianderingsvrijstelling alleen geldt indien de goederen in Nederland aan boord worden gebracht en gebruikt tijdens reizen tussen Nederland en andere lidstaten. Levering in een andere lidstaat wordt aangemerkt als afstandsverkoop, waarop andere fiscale regels van toepassing zijn. Belanghebbende slaagde er niet in bewijs te leveren dat de goederen daadwerkelijk tijdens de reizen werden gebruikt waarvoor vrijstelling geldt.
De Hoge Raad bevestigt dat de accijns terecht is nageheven op grond van artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 2f van de Wet op de accijns. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de Herziene Rijnvaartakte niet in de weg staat aan de heffing van accijns en omzetbelasting in deze situatie. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot het bedrag dat betrekking heeft op de goederen die in Nederland aan boord zijn gebracht.
Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns en omzetbelasting wordt verminderd tot het bedrag voor goederen die in Nederland aan boord zijn gebracht, bevestigend dat de provianderingsvrijstelling alleen geldt voor levering in Nederland.