Uitspraak
[woonplaats].
8 juli 2003.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank Rotterdam waarin een wrakingsverzoek was afgewezen. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep. Vervolgens heeft de klaagster cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft overwogen dat op grond van artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat. Dit betekent dat het cassatieberoep tegen de beschikking van het hof niet-ontvankelijk is. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot niet-ontvankelijkheid werd gevolgd.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juli 2003.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen een wrakingsbeslissing geen rechtsmiddel openstaat.