ECLI:NL:HR:2003:AF9711

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/037HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RvArt. 184 RvArt. 185 RvArt. 157 RvArt. 158 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in civiele vordering tot betaling

In deze civiele zaak vordert verweerster betaling van een bedrag van ƒ 216.242,61 vermeerderd met contractuele rente van eiser. Na een procedure bij de rechtbank en het gerechtshof, waarbij bewijslevering plaatsvond via enquête en contra-enquête, werd de vordering toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Eiser stelde hoger beroep en vervolgens cassatie in tegen deze uitspraken. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad veroordeelt eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof en de rechtbank dat eiser gehouden is tot betaling zoals gevorderd door verweerster.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de vordering door het hof.

Uitspraak

26 september 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/037HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[verweerster], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 1 maart 1996 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met inbegrip van de proceskostenveroordeling, [eiser] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 216.242,61, vermeerderd met de overeengekomen c.q. contractuele rente van ƒ 1.000,-- per maand vanaf 1 februari 1996 tot aan de dag der algehele voldoening, en met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, waaronder mede begrepen de kosten van het ter verzekering van haar vordering ten laste van [eiser] te leggen conservatoire beslag.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 13 maart 1997 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 12 maart 1998 de vordering toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 28 augustus 2000 heeft het hof [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 22 oktober 2001 beide vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft een anticipatie-exploit doen uitbrengen. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de advocaat-generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 941,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 26 september 2003.