ECLI:NL:HR:2003:AG3126
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Hof tot kennisneming van economisch delict bevestigd in cassatie
In deze strafzaak was de verdachte primair en subsidiair ten laste gelegd van medeplegen van opzetheling en meer subsidiair van medeplegen van een opzettelijke overtreding van een voorschrift uit de Wet inzake de wisselkantoren, strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Het Hof verklaarde het meer subsidiair tenlastegelegde feit bewezen en veroordeelde de verdachte tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met als middel dat het Hof niet bevoegd zou zijn geweest tot kennisneming van het economische delict.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een expliciete regeling in de huidige Wet op de rechterlijke organisatie een vergissing van de wetgever is en dat het oude systeem, waarbij de gewone strafkamers en het Hof bevoegd waren bij samenhang met andere strafbare feiten, nog steeds geldt. Het Hof had zich dus terecht bevoegd geoordeeld. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van het Hof en verwerpt het cassatieberoep, waardoor de veroordeling van de verdachte blijft staan.