ECLI:NL:PHR:2010:BK6326
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM en uitleg artikel 13 Flora- en faunawet inzake bezit beschermde dieren
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal met betrekking tot de vervolging van verdachte wegens het bezit van 215 ongeringde fazanten, een beschermde inheemse diersoort, in strijd met artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet.
De verdediging voerde aan dat het verbod op het bezit van deze dieren niet op een wettelijk voorschrift kon worden gebaseerd omdat het relevante deel van artikel 13, eerste lid, nog niet in werking was getreden. De Hoge Raad bevestigde echter dat het onderdeel b van dit artikel niet in werking is getreden, maar onderdeel a wel sinds 1 april 2002. De tekst in het Staatsblad bevatte een redactionele fout die door de rechter gecorrigeerd mocht worden in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
Verder stelde de verdediging dat de fazanten al vóór de inwerkingtreding van de wet werden gehouden en daarom niet geringd hoefden te zijn. Het hof oordeelde dat een deel van de fazanten inderdaad voor die datum aanwezig was, maar dat de aangetroffen dieren in 2005 niet allemaal vóór 1 april 2002 konden zijn geboren, gelet op de levensduur en fokpraktijken. Ook het verweer dat het OM het vervolgingsrecht had verloren na een waarschuwing in 2003 werd verworpen omdat verdachte geen gevolg had gegeven aan die waarschuwing.
Ten slotte werd het verweer dat de cautie niet was gegeven aan verdachte en zijn echtgenote verworpen, evenals het beroep op schending van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte wegens overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet.