ECLI:NL:HR:2003:AK3618
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij cocaïne-invoer
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk invoeren van circa 116 kilogram cocaïne in Nederland, het voorbereiden en bevorderen van dit feit, en deelname aan een criminele organisatie. De cocaïne werd op 30 augustus 1999 in beslag genomen op Schiphol. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op telefoongesprekken en observaties van de verdachte en medeverdachten rondom de datum van de inbeslagneming.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het middel dat stelde dat bewijsmiddelen die handelingen na de inbeslagneming betroffen niet redengevend konden zijn voor de bewezenverklaring.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat de bewijsmiddelen ook betrekking hadden op handelingen voorafgaand aan de inbeslagneming en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot vier jaar en zeven maanden, terwijl het cassatieberoep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vier jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.