ECLI:NL:HR:2003:AL4314

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02333/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 240b SrArt. 249 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bezit en vervaardiging van kinderporno en ontucht met minderjarige

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor het in voorraad hebben en vervaardigen van kinderporno en het plegen van ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. Het hof vernietigde eerder een vonnis van de rechtbank en legde een gevangenisstraf van vijftien maanden op, waarvan vijf voorwaardelijk.

De verdachte voerde onder meer aan dat hij geen intentie tot ontucht had, omdat hij zich liet inspireren door algemeen geaccepteerde kunstfotografie. Ook stelde hij een bewijsklacht in verband met het bezit van gedownloade maar niet geopende kinderporno-afbeeldingen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat het hof de juiste betekenis aan het begrip 'ontucht plegen' had toegekend.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om het arrest van het hof te vernietigen of het beroep ontvankelijk te verklaren. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. Ook de vorderingen van de benadeelden werden deels toegewezen door het hof, met een betalingsverplichting voor de verdachte.

De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke kwalificatie van bezit en vervaardiging van kinderporno en ontucht met een minderjarige, en benadrukt dat het ontbreken van intentie op basis van artistieke inspiratie geen vrijspraak rechtvaardigt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk.

Uitspraak

28 oktober 2003
Strafkamer
nr. 02333/02
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 juni 2002, nummer 22/001205-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 31 mei 2001 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 primair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. voor wat betreft onder A "een afbeelding of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die de kennelijke leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt heeft, is betrokken, in voorraad hebben, en daarvan een gewoonte maken", 1. voor wat betreft onder B "een afbeelding of een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die de kennelijke leeftijd van zestien jaren nog niet bereikt heeft, is betrokken, vervaardigen en in voorraad hebben, en van dat in voorraad hebben een gewoonte maken" en 2 primair en 3 subsidiair: telkens opleverende: "ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Het Hof heeft de benadeelde partij, [benadeelde 1] , niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2] , toegewezen tot een bedrag van € 2433,36, met afwijzing van het meer of anders gevorderde. Alsmede heeft het Hof aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op
28 oktober 2003.