ECLI:NL:PHR:2006:AU9104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bezit kinderpornografisch materiaal en opzetvereiste
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het bezit van kinderpornografisch materiaal op computers in zijn woning. Het hof had geoordeeld dat de verdachte dit materiaal in bezit had, ondanks zijn stelling dat hij de afbeeldingen direct verwijderde en zich niet bewust was van automatische opslag in verborgen mappen.
De Hoge Raad bespreekt de betekenis van het begrip 'bezit' in digitale context, waarbij vereist is dat het materiaal vastgelegd is en dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op dat bezit. Daarnaast is vereist dat de verdachte feitelijk macht heeft over het materiaal, oftewel dat hij het zichtbaar kan maken en zich bewust is van het bestaan ervan.
De Hoge Raad constateert dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verweer van de verdachte, dat hij zich niet bewust was van het feit dat de afbeeldingen automatisch werden opgeslagen en dat anderen de computers gebruikten, niet relevant zou zijn. Ook is niet duidelijk gemaakt hoe het hof de discrepantie tussen verklaringen van de verdachte en de deskundige heeft beoordeeld.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verdachte het materiaal in bezit had, zonder nadere motivering, niet kan worden gehandhaafd. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de motieven van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het bezit en opzet op kinderpornografisch materiaal.