ECLI:NL:HR:2003:AL4343
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over toepassing Cadmiumrichtlijn op speelgoed volgens Speelgoedrichtlijn
De zaak betreft een strafzaak tegen een verdachte die op 12 februari 1999 een partij speelgoed met een te hoog cadmiumgehalte in Nederland invoerde. Bij controle op 16 februari 1999 werden monsters genomen waaruit bleek dat 25 van de 32 monsters een cadmiumgehalte boven 100 mg/kg hadden. De verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van het Cadmiumbesluit.
De verdediging voerde aan dat de Cadmiumrichtlijn niet van toepassing is op speelgoed omdat de Speelgoedrichtlijn al specifieke cadmiumnormen bevat, en dat het speelgoed aan deze normen voldeed. De Hoge Raad constateerde dat er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van de tweede volzin van artikel 1 van Pro de Cadmiumrichtlijn, die bepaalt dat de nieuwe bepalingen niet van toepassing zijn op producten die al onder andere communautaire voorschriften vallen.
De Hoge Raad stelde daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de verhouding tussen de Cadmiumrichtlijn en de Speelgoedrichtlijn. Totdat het Hof van Justitie uitspraak doet, houdt de Hoge Raad iedere verdere beslissing aan. Het arrest werd uitgesproken op 23 december 2003 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de beslissing aan en stelt prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de toepassing van de Cadmiumrichtlijn op speelgoed.