ECLI:NL:HR:2003:AL8469

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/249HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vrijwaring in civiele procedure tegen verzekeraar en derden

Eiser werd door VDL Leasing B.V. gedagvaard voor betaling van een geldbedrag. Eiser riep Aegon Schadeverzekeringen N.V. en andere verweerders in vrijwaring op. De rechtbank wees de vordering tot vrijwaring af. Eiser ging in hoger beroep, maar het gerechtshof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Vervolgens stelde eiser beroep in cassatie in tegen deze uitspraken.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser verworpen. De klachten in het cassatieberoep konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie.

De procedure toont een typisch civielrechtelijk geschil over de vraag of een partij in vrijwaring kan worden geroepen en onder welke voorwaarden een dergelijke vordering toewijsbaar is. De Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraken en onderstreept het belang van zorgvuldige beoordeling van vrijwaringsvorderingen in civiele procedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering tot vrijwaring wordt afgewezen.

Uitspraak

19 december 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/249HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.G.E. de Vries,
thans mr. J.G. Pherai,
t e g e n
1. AEGON SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
2. [Verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats], en
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.V. Kist.
1. Het geding in feitelijke instanties
VDL Leasing B.V., hierna: VDL, heeft bij exploot van 9 maart 1994 thans eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen aan VDL tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van ƒ 22.884,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.
[Eiser] heeft een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van thans verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: Aegon en [verweerster] c.s. - genomen.
Nadat VDL had geconcludeerd tot referte, heeft de rechtbank bij incidenteel vonnis van 6 september 1994 [eiser] toegestaan Aegon en [verweerster] c.s. in vrijwaring op te roepen.
Bij exploot van 30 september 1994 heeft [eiser] Aegon en [verweerster] c.s. gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Aegon en [verweerster] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, gelijktijdig te veroordelen om aan [eiser] als eiser in vrijwaring te betalen waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak tussen VDL en [eiser] bij dat vonnis ten behoeve van VDL mocht worden veroordeeld.
Aegon en [verweerster] c.s. hebben de vordering in vrijwaring bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 13 december 1995, rechtdoende in vrijwaring, de vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en gevorderd voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Aegon en [verweerster] c.s. alsnog te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van ƒ 69.287,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 mei 1993, dan wel vanaf de dag der dagvaarding in eerste instantie, tot aan die der algehele voldoening.
Bij tussenarrest van 20 april 1999 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen ter fine als vermeld in rov. 6 van dit arrest en bij eindarrest van 7 mei 2002 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Aegon en [verweerster] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep en de zaak doen toelichten door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 19 december 2003.