ECLI:NL:HR:2004:AI0733
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- G.J. Zuurmond
- L. Monné
- J.C. van Oven
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing energiepremie wegens niet tijdig verzoek
Belanghebbende had in 1999-2000 isolatiewerkzaamheden laten uitvoeren door verschillende ondernemers en vroeg in november 2000 een energiepremie aan. Het energiebedrijf kende alleen premie toe voor de werkzaamheden van één ondernemer omdat het verzoek voor de overige voorzieningen te laat was ingediend. De Inspecteur handhaafde deze weigering, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en oordeelde dat het gehele isolatieproject als één samenhangend geheel moest worden beschouwd, waardoor het verzoek tijdig was.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatie in. De Hoge Raad overwoog dat de wettelijke bepalingen geen termijn koppelen aan het moment van betaling, maar aan het moment waarop de voorzieningen zijn aangebracht en in gebruik genomen. De Regeling Energiepremie bepaalt dat een aanvraag tijdig is als deze binnen dertien weken na betaling en ingebruikname is ingediend. Het hof had geoordeeld dat het project als één geheel moest worden gezien, wat feitelijk niet onbegrijpelijk was.
Het incidentele beroep van belanghebbende gericht op rentevergoeding wegens niet toegekende premie werd eveneens afgewezen omdat de wetgeving geen rentevergoeding voorziet. De Hoge Raad verklaarde zowel het principale als het incidentele beroep ongegrond en legde geen proceskosten op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verzoek om energiepremie niet tijdig was ingediend voor de meeste voorzieningen.