ECLI:NL:HR:2004:AN7884

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/023HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontbinding arbeidsovereenkomst en vergoeding na kort geding

In deze zaak heeft Philips Lightning B.V. bij de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoeker op grond van een dringende reden, subsidiair veranderde omstandigheden, zonder vergoeding. De kantonrechter wees dit verzoek toe per 1 augustus 2002 en kende verzoeker een vergoeding van €50.000 bruto toe. Verzoeker stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verwierp het beroep bij beschikking van 13 november 2002.

Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt verzoeker in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de toekenning van de vergoeding van €50.000 aan verzoeker in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met vergoeding blijft in stand.

Uitspraak

23 januari 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/023HR
JMH/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,
t e g e n
PHILIPS LIGHTNING B.V., gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. Y. van Gemerden.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 7 juni 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, sector kanton, ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: Philips - zich gewend tot de kantonrechter te Eindhoven en verzocht de tussen Philips en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair op grond van een dringende reden, subsidiair op grond van veranderde omstandigheden en zonder toekenning van enige vergoeding.
[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 juli 2002 de verzochte ontbinding per 1 augustus 2002 uitgesproken met toekenning aan [verzoeker] ten laste van Philips van een vergoeding ten bedrage van € 50.000,-- bruto en met veroordeling van Philips tot betaling van dat bedrag, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 13 november 2002 heeft het hof het beroep verworpen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Philips heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 21 november 2003 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Philips begroot op € 267,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 januari 2004.