ECLI:NL:HR:2004:AO0628
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beslissing over rechtmatigheid bewijsgaring in cassatieprocedure
In deze zaak stond de vraag centraal of het gerechtshof terecht in een tussenbeslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting had beslist over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. De verdachte had zich op onrechtmatige bewijsgaring beroepen.
De Hoge Raad stelde dat een beslissing over een verweer betreffende de rechtmatigheid van bewijsgaring uitdrukkelijk en in de einduitspraak moet worden opgenomen. Het hof had dit ten onrechte in een tussenbeslissing gedaan, wat niet voldoet aan de wettelijke eisen.
Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat deze procedurele tekortkoming niet tot cassatie hoeft te leiden, omdat tegen de inhoud van die tussenbeslissing in cassatie een middel kan worden voorgesteld. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen omdat er geen inhoudelijke gronden waren om de bestreden uitspraak te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks procedurele tekortkoming in de beslissing over rechtmatigheid van bewijsgaring.