Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AO1993

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/084HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats kinderen bij vader en omgangsregeling moeder

De zaak betreft een geschil over de hoofdverblijfplaats van twee kinderen uit een inmiddels ontbonden huwelijk en de omgangsregeling met de moeder. De vader verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen en een omgangsregeling voor de moeder te bepalen. De rechtbank volgde het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en stelde de hoofdverblijfplaats bij de vader vast, met een omgangsregeling waarbij de moeder elk weekend en de helft van de schoolvakanties omgang heeft.

De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigde de beslissing van de rechtbank. Vervolgens stelde de moeder beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De man, als verweerder in cassatie, heeft geen verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader blijft met de vastgestelde omgangsregeling voor de moeder.

Uitspraak

26 maart 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/084HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 april 2001 ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van hem met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - geboren kinderen (1) [de dochter 1], geboren op [geboortedatum] 1989 en (2) [de dochter 2], geboren op [geboortedatum] 1992, bij de man zal zijn en dat de vrouw gerechtigd zal zijn om elke veertien dagen een aaneengesloten periode van vier dagen vrijelijk omgang met de kinderen te hebben.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 22 januari 2002 de raad voor de kinderbescherming verzocht rapport en advies uit te brengen en bij eindbeschikking van 12 november 2002 overeenkomstig het advies van de raad de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man bepaald en een zodanige omgangsregeling vastgesteld dat de vrouw een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zonderdag 19.00 uur, alsmede de helft van alle schoolvakanties tot omgang met de kinderen gerechtigd is.
Tegen deze eindbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 24 april 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.