ECLI:NL:HR:2004:AO3174

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R03/089HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatieArt. 598i RvArt. 598j Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen vernietiging beschikking lijfsdwang

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een beschikking van het hof waarin een eerdere beslissing van de president van de rechtbank te Maastricht werd vernietigd. De oorspronkelijke beschikking had bepaald dat de tenuitvoerlegging van lijfsdwang tegen verzoeker niet verder zou worden voortgezet.

Na voortzetting van de mondelinge behandeling heeft het hof deze beschikking vernietigd en verzoeker veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). Verzoeker stelde hiertegen beroep in cassatie in.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Tevens veroordeelde de Hoge Raad verzoeker in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een totaal van €1.362,69.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

26 maart 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/089HR
JMH/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Gouda,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor de loop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 6 december 2002, nr. R02/028, NJ 2003, 62. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 januari 2002, gegeven tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: het LBIO -, waarbij het LBIO ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 is verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij beschikking van 12 september 2001 heeft de president ambtshalve bepaald dat de tegen [verzoeker] aangevangen lijfsdwang niet verder ten uitvoer zal worden gelegd.
Na voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 april 2003 heeft het hof bij eindbeschikking van 8 mei 2003 de tussen partijen gegeven beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 vernietigd en [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van het LBIO veroordeeld, zoals in het dictum van deze beschikking is vermeld.
De beschikking van het hof van 8 mei 2003 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermelde beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het LBIO heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van verzoeker tot cassatie in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het LBIO begroot op € 227,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.