ECLI:NL:HR:2004:AO6929

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/116HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 92 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 93 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 94 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzet tegen verstekvonnis in incassozaken

In deze civiele zaak vordert ABN AMRO Bank N.V. betaling van een bedrag van ƒ 43.670,64 van eiser. Nadat eiser in eerste aanleg verstek liet gaan, werd het verstekvonnis op 11 juni 1997 uitgesproken en toegewezen. Eiser kwam vervolgens in verzet tegen dit vonnis en vorderde ontheffing van de veroordeling en niet-ontvankelijkheid van de bank. De rechtbank wees het verzet af op 24 januari 2001. Eiser ging hiertegen in hoger beroep, maar het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde het vonnis op 22 augustus 2002.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het verstekvonnis en de afwijzing van het verzet ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het verstekvonnis blijft in stand.

Uitspraak

25 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/116HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
ABN AMRO Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de bank - heeft bij exploot van 11 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan de bank tegen kwijting te betalen een bedrag van ƒ 43.670,64, te vermeerderen met rente.
Nadat tegen [eiser] verstek was verleend, heeft de rechtbank bij verstekvonnis van 11 juni 1997 de vordering van de bank toegewezen.
Bij exploot van 28 juli 1999 is [eiser] tegen voormeld verstekvonnis in verzet gekomen en heeft hij gevorderd hem te ontheffen van de tegen hem uitgesproken veroordeling, en de bank niet-ontvankelijk te verklaren, althans de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.
De bank heeft in oppositie de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 24 januari 2001 het verzet afgewezen.
Tegen laatstvermeld vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 22 augustus 2002 heeft het hof het vonnis van 24 januari 2001 bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de bank mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.