ECLI:NL:HR:2004:AO7691
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt - Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over bouwterrein en omzetbelasting bij dijkverzwaring
Belanghebbende leverde in 1998 drie onbebouwde percelen aan het Waterschap, die deels waren opgespoten met zand in de jaren zestig met het oog op toekomstige industriële en woonbebouwing. Na een naheffingsaanslag omzetbelasting en daaropvolgend bezwaar en beroep bevestigde het Hof Arnhem dat de percelen als bouwterrein moesten worden aangemerkt.
De Hoge Raad stelt dat de Nederlandse regeling omtrent bouwterrein in overeenstemming is met de Europese Zesde richtlijn, maar benadrukt dat de beoordeling van bouwterrein steeds op het moment van levering moet plaatsvinden. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat een dijk als gebouw kan worden aangemerkt en dat de percelen door overheidsmaatregelen feitelijk niet meer bebouwd konden worden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van de juiste criteria, waaronder de vraag of de dijkwerken als gebouwen kwalificeren en of de percelen geschikt zijn voor bebouwing. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof Arnhem vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling.