ECLI:NL:PHR:2004:AO7691
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie van onbebouwde grond als bouwterrein voor omzetbelasting
De zaak betreft een cassatieberoep van X B.V. tegen het Gerechtshof Arnhem inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1998. De kern van het geschil is of drie onbebouwde percelen, die in de jaren zestig met het oog op toekomstige bebouwing zijn opgespoten, als bouwterrein in de zin van artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 moeten worden aangemerkt.
Het Hof oordeelde dat deze percelen, ondanks dat niet alle delen zijn bebouwd, als bouwterrein kwalificeren omdat zij deel uitmaakten van een gebied dat was bewerkt voor bebouwing en dat de levering plaatsvond in het kader van werkzaamheden aan een dijk, die als gebouw kan worden aangemerkt. Belanghebbende stelde in cassatie dat de percelen alleen als bouwterrein kunnen worden aangemerkt indien bebouwing op het moment van levering daadwerkelijk mogelijk is.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de nationale en Europese regelgeving, waaronder de Zesde richtlijn, en bevestigt dat lidstaten ruime beoordelingsvrijheid hebben om het begrip bouwterrein te definiëren. De Hoge Raad wijst op het belang van objectieve en concrete criteria, waarbij het tijdstip van levering bepalend is. Ook wordt geoordeeld dat een dijk onder omstandigheden als een gebouw kan worden aangemerkt. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep ongegrond is en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de percelen als bouwterrein kwalificeren.