ECLI:NL:HR:2004:AR2036
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen
In deze strafzaak hebben klagers beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin hun klaagschrift tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond werd verklaard. Deze voorwerpen waren onherroepelijk aan het verkeer onttrokken door een eerdere uitspraak van de rechtbank op grond van artikel 36b, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht.
De Hoge Raad heeft in een eerdere beschikking het cassatieberoep van klagers tegen de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen verworpen. Gezien deze eerdere verwerping kan het huidige cassatieberoep tegen de beschikking van het hof, die het klaagschrift ongegrond verklaarde, niet ontvankelijk worden verklaard.
De Hoge Raad heeft daarom de klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep. De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van 14 december 2004.
De procedure werd gevoerd door klagers met bijstand van hun advocaat, mr. B.G.J. de Rooij. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en de procedure beëindigd met de niet-ontvankelijkheidsverklaring.
Uitkomst: Klagers zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep tegen de onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen.