ECLI:NL:HR:2004:AR4375
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over toepassing sanctie vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd tot een belastbaar bedrag van ƒ 2.293.372. Tegen deze uitspraak van de Inspecteur werd beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde slechts toepasselijk is indien sprake is van oneigenlijk gebruik van de fiscale eenheid, namelijk wanneer de prijs voor de ingebrachte onderneming wordt afgelost met geld van derden. Uit de stukken bleek dat dit niet het geval was, zodat de sanctie niet van toepassing kon zijn.
Daarnaast werd geoordeeld dat de vervreemding van aandelen in de dochtermaatschappij Y B.V. niet tot toepassing van de sanctie leidt, omdat deze na het verstrijken van de driejaarstermijn plaatsvond zoals vermeld in de Resolutie van 30 september 1991.
Gelet op deze overwegingen vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Hof en de Inspecteur, en stelde het belastbaar bedrag vast op ƒ 237.418. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen en vergoed door de Staat en de Inspecteur.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag vennootschapsbelasting tot een belastbaar bedrag van ƒ 237.418.