ECLI:NL:HR:2004:AR6361
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens niet-overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, wegens diverse feiten waaronder diefstal, poging tot diefstal, medeplegen van wapendelicten en het uitgeven van vervalste bankbiljetten. Het hof heeft tevens vorderingen van enkele benadeelde partijen toegewezen en andere afgewezen.
Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Een van de klachten betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad constateerde dat hoewel de inzendtermijn met ongeveer zes weken was overschreden, de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd afgedaan.
Hierdoor werd de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd en kon niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Tevens werd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan acht voorwaardelijk.