ECLI:NL:HR:2004:AR6361

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01735/04 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 26 Wet wapens en munitie
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens niet-overschrijding redelijke termijn in strafzaak

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, wegens diverse feiten waaronder diefstal, poging tot diefstal, medeplegen van wapendelicten en het uitgeven van vervalste bankbiljetten. Het hof heeft tevens vorderingen van enkele benadeelde partijen toegewezen en andere afgewezen.

Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Een van de klachten betrof de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad constateerde dat hoewel de inzendtermijn met ongeveer zes weken was overschreden, de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd afgedaan.

Hierdoor werd de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd en kon niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Tevens werd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd met een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan acht voorwaardelijk.

Uitspraak

21 december 2004
Strafkamer
nr. 01735/04
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 september 2003, nummer 21/001735-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 4 juni 2002, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1., 2. en 4. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 5 A "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd" B "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd", 6 A "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" B "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 7. "opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven, bankbiljetten waarvan de vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was", 8. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 9 A "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd" B "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", 10 en 11. "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd" en 12 A "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" B "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en munitie (patronen)" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte, ten aanzien van wie het meerderjarigenstrafrecht en dus niet het strafrecht voor jeugdigen is toegepast (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.15), heeft op 16 september 2003 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 30 juni 2004 op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Nu de Hoge Raad de zaak evenwel binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3. Het middel faalt dus.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 21 december 2004.
Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.