ECLI:NL:PHR:2006:AV4193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezit en strafbaarheid van kinderpornografische afbeeldingen volgens art. 240b Sr
De zaak betreft de cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte is veroordeeld voor ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen volgens art. 240b Sr. Centrale vraag was of de foto’s, waarop het slachtoffer naakt en in seksuele poses is afgebeeld, onder de strafbepaling vallen.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 240b Sr bedoeld is ter bescherming van kinderen tegen seksuele exploitatie en dat het begrip 'seksuele gedraging' moet worden uitgelegd vanuit dit beschermingsdoel. Het gaat om gedragingen die schadelijk zijn voor de jeugdige, hetzij door het tot die gedraging brengen, hetzij door de publicatie ervan. De context en bijkomende factoren, zoals dwang en vernedering, zijn daarbij van belang.
Het hof heeft geoordeeld dat de foto’s inderdaad seksuele gedragingen bevatten, mede omdat het slachtoffer destijds veertien jaar was, zich vernederd voelde en door verdachte tot die poses werd gebracht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en berust op voldoende bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer en inbeslaggenomen foto’s.
Verzoeken van de verdediging tot schorsing van de behandeling voor nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van het slachtoffer, medische kenmerken van verdachte en chronologische ordening van de foto’s werden afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze verzoeken terecht heeft afgewezen, omdat het belang van een behoorlijke rechtspleging zwaarder woog dan het belang van nader onderzoek. Ook is de leeftijd van het slachtoffer op de foto’s niet strikt vereist, het gaat om de schijn van minderjarigheid.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor bezit van kinderpornografische afbeeldingen en verwierp het cassatieberoep.