ECLI:NL:HR:2005:AE6419
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over deelnemingsvrijstelling en aftrekbaarheid kosten bij buitenlandse deelnemingen
Belanghebbende, een Nederlandse houdstermaatschappij met buitenlandse deelnemingen, maakte in 1991 kosten die verband hielden met haar deelnemingen en nam een afwaarderingsverlies op een Duitse GmbH in aanmerking. De Inspecteur stelde het verlies aanvankelijk vast op ƒ 226.799, maar het hof stelde dit bij uitspraak op ƒ 12.332.104. De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak.
Het geschil betrof de aftrekbaarheid van kosten die verband houden met deelnemingen in het buitenland, waarbij het hof deze kosten niet in aftrek had toegestaan op grond van artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Hoge Raad oordeelt dat deze aftrekbeperking in strijd is met het EG-Verdrag en het arrest Bosal van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat stelt dat dergelijke kosten niet mogen worden beperkt indien zij verband houden met deelnemingen in andere lidstaten.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat kosten die betrekking hebben op de beursnotering en investor relations niet als kosten verbonden aan deelnemingen kunnen worden aangemerkt en dus aftrekbaar zijn. Het oordeel van het hof dat de Duitse GmbH een deelneming vormt in de zin van de Wet wordt bevestigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest Bosal.