ECLI:NL:HR:2005:AQ7394
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling winst uit aanmerkelijk belang onder inkomsten uit rechten niet op zaken
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 812.478, waartegen bezwaar werd gemaakt. Na correctie voor verrekening van buitenlandse bronbelasting en toepassing van een bijzonder tarief bleef het belastbaar inkomen gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
In geschil was of winst uit aanmerkelijk belang onder de term 'inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben' valt zoals bedoeld in artikel 38, lid 7, van de Wet op de inkomstenbelasting 1999. Belanghebbende had leningen afgesloten voor de aankoop van een aandelenportefeuille zonder aanmerkelijk belang, waarbij rente werd betaald die hoger was dan de ontvangen dividenden op die effecten.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de samenhang van de artikelen 20a en 24 van de Wet volgt dat winst uit aanmerkelijk belang niet behoort tot de bedoelde inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben. Dit oordeel strookt met het systeem van de Wet en de terminologie daarvan. Het cassatieberoep werd daarom ongegrond verklaard. De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof blijft in stand.