ECLI:NL:PHR:2005:AQ7394
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking renteaftrek bij aanmerkelijkbelangaandelen volgens artikel 38 lid 7 Wet IB 1964
Belanghebbende had in 1999 leningen afgesloten ter financiering van een aandelenportefeuille en betaalde daarvoor rente. De inspecteur beperkte de renteaftrek op grond van artikel 38, zevende lid, Wet IB 1964, dat aftrek van rente beperkt tot het bedrag van inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben. Belanghebbende stelde dat dividend uit aanmerkelijkbelangaandelen ook tot deze inkomsten behoort, zodat de renteaftrek niet beperkt zou moeten worden.
Het Hof oordeelde dat dividend uit aanmerkelijkbelangaandelen niet onder deze categorie valt en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en legt uit dat de wetsystematiek en wetsgeschiedenis duidelijk maken dat de renteaftrekbeperking van artikel 38, zevende lid, niet van toepassing is op rente die samenhangt met winst uit aanmerkelijk belang.
De Hoge Raad benadrukt dat de Wet IB 1964 onderscheid maakt tussen verschillende inkomensbronnen en dat voordelen uit aanmerkelijk belang als reguliere voordelen worden belast in een aparte box, waarbij de renteaftrek niet wordt beperkt door artikel 38, zevende lid. Dit voorkomt dubbele aftrek van kosten en zorgt voor een evenwichtige fiscale behandeling.
Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat dividend uit aanmerkelijkbelangaandelen niet valt onder de aftrekbeperking van artikel 38, zevende lid, Wet IB 1964 blijft in stand.