ECLI:NL:HR:2005:AS4104
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg afvalstoffenbegrip in Wet belastingen op milieugrondslag
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor afvalstoffenbelasting over de jaren 1995 en 1996, met een verhoging en een gedeeltelijke kwijtschelding. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd, maar zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip afvalstof in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). De Inspecteur had correcties toegepast op partijen stoffen die door derden aan de inrichting van belanghebbende waren afgegeven, waaronder gereinigd staalgrit, licht verontreinigde grond en gebroken puin. Het Hof oordeelde dat deze stoffen afvalstoffen zijn in de zin van de Wbm, omdat de houders zich ervan ontdeden met het oog op verwijdering.
De Hoge Raad bevestigde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was. Ook verwierp de Hoge Raad het betoog dat het begrip afvalstof beperkt zou zijn tot stoffen die uitsluitend in een vergunninghoudende inrichting mogen worden verwijderd. Verder werd bevestigd dat de Inspecteur gebonden is aan verklaringen van het Service Centrum Grondreiniging (SCG) voor vrijstellingen.
De Hoge Raad verklaarde de cassatieberoepen ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft de naheffingsaanslag in stand met de door het Hof vastgestelde vermindering.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting met de door het Hof vastgestelde vermindering.