ECLI:NL:HR:2005:AS7921
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad herstelt naheffingsaanslag loonbelasting wegens interne representatiekosten
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2000, omdat de Inspecteur een deel van de vaste kostenvergoeding aan werknemers als bovenmatig beschouwde. Deze vergoeding betrof onder meer kosten voor interne representatie, zoals verjaardagen en jubilea van collega’s.
Het Hof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de naheffingsaanslag, waarbij het oordeelde dat vergoedingen voor interne representatie binnen redelijke grenzen belastingvrij kunnen zijn. Echter, het Hof maakte een rekentechnische fout door de naheffingsaanslag te verminderen met een bedrag dat niet volledig betrekking had op deze kosten.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad verklaarde het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond, maar gaf het principale beroep van de Staatssecretaris welgegrond. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en herstelde de naheffingsaanslag tot een bedrag hoger dan door het Hof vastgesteld, maar lager dan oorspronkelijk opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over de redelijkheid van de interne representatiekosten niet onbegrijpelijk was, maar dat de vermindering van de naheffingsaanslag onjuist was berekend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting wordt hersteld tot ƒ 3.756.026 wegens onjuiste vermindering door het Hof.