ECLI:NL:HR:2005:AT2899
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Gebruik van DNA-onderzoek als bewijs en toetsing bevel gevangenhouding
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof had de verdachte veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf voor poging tot afpersing gepleegd door twee of meer verenigde personen.
De kern van het cassatiemiddel betrof de vraag of de resultaten van het DNA-onderzoek aan het van de verdachte afgenomen lichaamsmateriaal als bewijs mochten worden gebruikt. De verdediging stelde dat het bevel tot het afnemen van dit materiaal niet rechtsgeldig was omdat niet voldaan was aan de vereiste van ernstige bezwaren tegen de verdachte zoals bedoeld in artikel 195d van het Wetboek van Strafvordering (oud).
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat het bevel niet opnieuw ter terechtzitting kon worden aangevochten, omdat het rechtsmiddelensysteem in strafzaken dit niet toelaat. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank dat de verdenking en bezwaren niet meer in voldoende mate bestonden, niet betekent dat er geen ernstige bezwaren waren ten tijde van het bevel. Daarmee is het gebruik van het DNA-onderzoek als bewijs toegestaan.
Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. De veroordeling van 45 maanden gevangenisstraf bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot 45 maanden gevangenisstraf.