ECLI:NL:HR:2005:AT5946
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing artikel 16 lid 4 AWIR op in Nederland ontvangen buitenlandse provisies
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een Nederlandse vennootschap, kreeg een navorderingsaanslag opgelegd vanwege niet verantwoord provisie-inkomsten die via een Duitse vennootschap werden betaald, maar via een Nederlandse bankrekening op zijn privé-rekening werden gestort.
Het Hof oordeelde dat deze provisies niet in het buitenland waren opgekomen in de zin van artikel 16 lid 4 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWIR), omdat de betalingen via een Nederlandse vennootschap en bankinstelling plaatsvonden en het voordeel vanuit Nederland werd genoten.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, stellende dat de provisies wel in het buitenland waren opgekomen en dat het niet uitmaakte of ze via een Nederlandse vennootschap werden ontvangen.
De Hoge Raad verwierp dit middel, bevestigde de feitenvaststelling van het Hof en oordeelde dat de provisies niet aan belanghebbende in het buitenland waren toegekomen, maar dat de ontvangst een binnen Nederland plaatsgevonden handeling was.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.