ECLI:NL:PHR:2005:AT5946
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse provisiebetalingen aan Nederlandse DGA
In deze zaak staat de vraag centraal of de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar, zoals bedoeld in artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), van toepassing is op provisie-inkomsten die door een Duitse vennootschap (GmbH) aan een Nederlandse BV zijn betaald en vervolgens door de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van die BV privé zijn geïnd. De DGA betwistte de navorderingsaanslag omdat hij meende dat de twaalfjaarstermijn niet geldt aangezien de inkomsten niet in het buitenland zijn opgekomen.
De feiten zijn dat de provisies werden betaald door cheques die op naam van de DGA werden gesteld en via de Nederlandse BV werden geïnd. Een deel van de cheques werd door de DGA op zijn privérekening geïnd zonder verantwoording in de BV-administratie. De Inspecteur ontdekte deze verzwegen onttrekkingen via Duitse renseignementen en een boekenonderzoek bij de BV.
Het Hof oordeelde dat de provisiebetalingen niet in het buitenland waren opgekomen omdat de betaling via de Nederlandse BV liep en de DGA het voordeel vanuit een Nederlandse vennootschap genoot. De Staatssecretaris ging tegen dit oordeel in cassatie met het argument dat de verlengde navorderingstermijn wel van toepassing moet zijn omdat de oorsprong van de inkomsten in Duitsland ligt en de betaling door een buitenlandse schuldenaar is gedaan.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en stelt dat voor de toepassing van artikel 16, lid 4, Awr beslissend is langs welke weg de inkomsten zijn opgekomen en dat dit niet de plaats van de economische activiteit of de oorsprong van de inkomsten is, maar de locatie van het laatste station waar de inkomsten passeerden voordat zij bij de belastingplichtige kwamen. Omdat de betaling via een Nederlandse vennootschap is ontvangen en de cheques in Nederland werden geïnd, is de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing. Bovendien is van belang dat de inkomsten feitelijk zichtbaar waren voor de Nederlandse fiscus via de administratie van de BV.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de verlengde navorderingstermijn niet geldt in situaties waarin de inkomsten via een Nederlandse entiteit lopen en zichtbaar zijn voor de fiscus, ook al ligt de oorsprong van de inkomsten in het buitenland. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de verlengde navorderingstermijn en benadrukt het belang van zichtbaarheid voor de fiscus.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is op via een Nederlandse BV aan een Nederlandse DGA uitgekeerde provisie-inkomsten, ondanks de buitenlandse oorsprong.