ECLI:NL:HR:2005:AT6195

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00620/04 U II
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Overeenkomst betreffende uitlevering tussen EU LidstatenArt. K.3 Verdrag betreffende de Europese Unie
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart uitlevering van Nederlandse onderdaan aan België ontoelaatbaar

De zaak betreft een uitleveringsverzoek van België aan Nederland voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd aan een Nederlandse onderdaan. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten en de procedure waarbij de Advocaat-Generaal een schriftelijke samenvatting heeft ingediend waarin wordt gepleit voor ontoelaatbaarverklaring van het uitleveringsverzoek.

De Belgische Minister van Justitie bevestigde dat het vonnis definitief is geworden, waardoor het verzoek gericht is op de uitvoering van de straf. Gezien het Nederlandse voorbehoud bij artikel 7, eerste lid, van de Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het EU-Verdrag, is uitlevering van Nederlandse onderdanen voor strafuitvoering niet toegestaan.

De Hoge Raad volgt deze lijn en verklaart de uitlevering ontoelaatbaar. Dit arrest bevestigt de bescherming van Nederlandse staatsburgers tegen uitlevering voor strafuitvoering binnen de EU onder het genoemde voorbehoud.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het uitleveringsverzoek van België ontoelaatbaar wegens het Nederlandse voorbehoud bij uitlevering van eigen onderdanen.

Uitspraak

24 mei 2005
Strafkamer
nr. 00620/04 U II
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek tot uitlevering aan het Koninkrijk België van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 18 januari 2005. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad - onder heropening van het ter zitting van 14 december 2004 gesloten onderzoek - de stukken in handen gesteld van zijn Procureur-Generaal ter beantwoording door de Belgische Minister van Justitie van de in dat arrest omschreven vragen.
1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 12 april 2005 is de schriftelijke samenvatting overgelegd van de opvatting van de Advocaat-Generaal Jörg omtrent het verzoek tot uitlevering. Die samenvatting strekt tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard, is in de gelegenheid gesteld tot het geven van schriftelijk commentaar op de opvatting van de Advocaat-Generaal.
2. Nadere beoordeling van het verzoek tot uitlevering
2.1. Ten vervolge op het hiervoor onder 1.1 genoemde arrest van de Hoge Raad is namens de Belgische Minister van Justitie bij schrijven van 6 april 2005 bericht dat het in het uitleveringsverzoek genoemde verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 januari 1996 definitief is geworden, zodat het verzoek strekt ter tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die aan de opgeëiste persoon bij dat vonnis is opgelegd.
2.2. Nu het uitleveringsverzoek strekt ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke is opgelegd aan de opgeëiste persoon, die Nederlands onderdaan is, moet - gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 7, eerste lid, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van art. K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie - de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verzochte uitlevering ontoelaatbaar.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 mei 2005.