AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije van in Nederland woonachtige Bulgaar wegens handel in verdovende middelen
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een Bulgaarse onderdaan die in Nederland woont, aan Turkije ter uitvoering van een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden wegens handel in verdovende middelen. De Turkse autoriteiten stelden dat de opgeëiste persoon zich aan de straf had onttrokken door niet terug te keren na detentie, terwijl de verdediging stelde dat hij vervroegd in vrijheid was gesteld na een amnestiewet.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering toelaatbaar, stellende dat de stukken voldoende waren en dat de verdediging onvoldoende aannemelijkheid had geleverd voor de stelling van vervroegde invrijheidstelling. Tevens oordeelde de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan het criterium van een ononderbroken verblijf van vijf jaar in Nederland om als geïntegreerde vreemdeling te worden beschouwd, waardoor de bescherming tegen uitlevering niet van toepassing is.
De verdediging stelde vier middelen van cassatie voor, waaronder de onvoldoende beoordeling van het integratieverweer en de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en minister. De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank zich had moeten onthouden van een oordeel over integratie en dat dit aan de minister toekomt. Desalniettemin wordt het beroep verworpen omdat de overige klachten niet slagen en de uitlevering toelaatbaar is verklaard conform de wettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
De uitspraak voldoet aan de vereisten van duidelijke feitelijke omschrijving en voldoende stukken. Het vertrouwensbeginsel tussen staten geldt, en er is geen aanleiding om het verzoek ontoelaatbaar te verklaren. De Hoge Raad bevestigt dat de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over de status van geïntegreerde vreemdeling, dit is een ministeriële bevoegdheid.
De zaak onderstreept de toepassing van het arrest Raugevicius van het HvJ EU en de Nederlandse wetgeving omtrent uitlevering, waarbij de bescherming van in Nederland geïntegreerde vreemdelingen tegen uitlevering aan derde landen een ministeriële beoordeling vergt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering aan Turkije.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00084 U
Zitting17 mei 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de opgeëiste persoon.
I. Inleiding
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 22 december 2021 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van verdere tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden ter zake van (kort gezegd) zijn betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen.
Namens de opgeëiste persoon hebben mr. Th.O.M. Dieben, mr. G.A. Jansen en mr. O.S. Pluimer, allen advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
II. Verzoek en procesgang
3. Op 28 januari 2021 is door de Turkse autoriteiten aan Nederland het verzoek gedaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon omdat, aldus het uitleveringsverzoek, de opgeëiste persoon zich tijdens de detentie aan de tenuitvoerlegging van de voormelde gevangenisstraf heeft onttrokken en nog een gedeelte van deze gevangenisstraf moet uitzitten. Voorts volgt uit het uitleveringsverzoek dat de opgeëiste persoon en een aantal medeverdachten op 17 september 2013 door de (in de Engelse vertaling) High Criminal Court of Kirklareli zijn veroordeeld wegens (in de Engelse vertaling) 'trade or procurement of narcotics or psychotropic substances'. Aan de opgeëiste persoon is naast een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden een geldboete van TL (Turkse Lira) 125.000,- opgelegd en bovendien is hij veroordeeld tot een proceskostenvergoeding ad TL 326,90. De uitspraak van de High Criminal Court of Kirklareli is op 4 mei 2015 bevestigd door het Turkse Hof van Cassatie. Uit een verklaring van de rechtbank te Kirklareli van 18 juni 2021 blijkt de onherroepelijkheid van de uitspraak van het Turkse gerecht.
III.De bestreden uitspraak
4. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2021 houdt, voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen, het volgende in:
“1. Procedure
De Turkse autoriteiten hebben bij nota van 28 april 2021 (aangevuld bij bericht van 1 november 2021) aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek gedaan (gedateerd 28 januari 2021) tot uitlevering met het oog op tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf en daartoe stukken overgelegd.
2. Verzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een uitspraak van de Turkse rechtbank te Kirklareli van 17 september 2013, nummer 2013/261. Het Turkse Hof van Cassatie heeft die uitspraak bevestigd bij arrest van 4 mei 2015. Een verklaring van de rechtbank van 18 juni 2015, inhoudende dat de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk is, bevindt zich bij de stukken. Van een gedeelte van de uitspraak van de rechtbank is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.
[…]
5. Genoegzaamheid van de stukken
Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
Op de zitting heeft de raadsvrouw gesteld dat er geen sprake is van genoegzaamheid van de stukken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon stelt dat hij niet is gevlucht, zoals door de Turkse autoriteiten wordt gesteld, maar op 25 juli 2017 vervroegd in vrijheid is gesteld. Dit is volgens hem gebeurd krachtens wetgeving die is aangenomen na de poging tot staatsgreep die toentertijd in Turkije heeft plaatsgehad en omdat hij - zoals die wetgeving zou vereisen - minstens zes jaar van zijn straf had uitgezeten (namelijk vanaf 2011). Het standpunt van de opgeëiste persoon is door het openbaar ministerie niet (voldoende) onderzocht, aldus de raadsvrouw. Mocht de verklaring van de opgeëiste persoon op juistheid zijn gebaseerd, dan zou de informatie van de Turkse autoriteiten niet op waarheid berusten en het uitleveringsverzoek gelet op artikel 18 vanPro de Uitleveringswet ontoelaatbaar moeten worden verklaard. Daarnaast is er volgens de raadsvrouw onduidelijkheid met betrekking tot de data in het uitleveringsverzoek, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 12 vanPro het Verdrag en artikel 18 vanPro de Uitleveringswet.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is het vertrouwen dat tussen Staten bestaat, een beginsel [is] dat ten grondslag ligt aan de gesloten verdragen. Er is voorts geen aanwijzing dat het uitleveringsverzoek niet op een juiste wijze is opgemaakt of berust op onjuiste relevante gegevens. Het is aan de verdediging om de verklaring van de opgeëiste persoon, te weten dat de Turkse autoriteiten de opgeëiste persoon vervroegd in vrijheid hebben gesteld, aannemelijk te maken. De rechtbank stelt vast dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor de stelling van de opgeëiste persoon dat hij al in 2011 en niet - zoals uit de stukken valt af te leiden - pas sinds 2012 is gedetineerd voor het feit waarvoor hij is veroordeeld. Wat daar echter ook van zij, de rechtbank oordeelt dat de verdediging niet met stukken of anderszins een begin van aannemelijkheid heeft geleverd van de stelling van de opgeëiste persoon. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het Verdrag.
[…]
8. Gevoerde verweren
8.1
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat het verzoek om uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1690), waarin de Hoge Raad uitleg geeft aan de uitspraak Raugevicius van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:898), volgt dat een aangezochte lidstaat bij een uitleveringsverzoek onderdanen van andere lidstaten die ‘permanent op zijn grondgebied verblijven’ niet anders mag behandelen dan zijn eigen onderdanen. Een Nederlandse onderdaan wordt op grond van artikel 4 vanPro de Uitleveringswet beschermd tegen een uitlevering aan landen buiten de Europese Unie ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Om te oordelen of de opgeëiste persoon permanent op het grondgebied verblijft, moet in dit geval aansluiting worden gezocht bij de constatering dat de opgeëiste persoon sinds 2018 met zijn kinderen en kleinkinderen in Nederland is gevestigd en dat hij hier zijn hele leven wil blijven wonen en werken.
8.2
Beoordeling
Uit het arrest Raugevicius volgt – kort samengevat – dat een aangezochte lidstaat bij een uitleveringsverzoek onderdanen van andere lidstaten die ‘permanent op zijn grondgebied verblijven’ niet anders mag behandelen dan zijn eigen onderdanen. Een Nederlands onderdaan wordt door artikel 4 UitleveringswetPro, in verbinding niet artikel 6 vanPro het Verdrag, beschermd tegen een uitlevering aan Turkije ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Wel voorziet de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen ten aanzien van Nederlandse onderdanen in de mogelijkheid dat een in Turkije opgelegde gevangenisstraf in een Nederlandse penitentiaire inrichting ten uitvoer wordt gelegd.
Het arrest Raugevicius geeft niet een eigen, Unierechtelijke definitie van het begrip ‘permanent verblijf’, het is aan de nationale rechter om te beslissen of in een concreet geval is voldaan aan dat criterium. Onder overweging 46 wordt als maatstaf ‘een zekere mate van integratie in de samenleving van deze staat’ genoemd, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2009, Wolzenburg C-123/08, EU:C:2009:616, punt 67. In dat arrest Wolzenburg heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie onder punt 68 ruimte gelaten voor een nationale regel zoals in Nederland die daaraan de voorwaarde van een ononderbroken verblijf van vijf jaren in de aangezochte staat stelt, als een ‘garantie dat de opgeëiste persoon in de uitvoerende lidstaat voldoende is geïntegreerd’.
Vast staat dat de opgeëiste persoon sinds 3 februari 2018 woonachtig is in Nederland. De rechtbank oordeelt dat hiermee niet is voldaan aan de voorwaarde van een ononderbroken verblijf van vijf jaren in Nederland, als garantie dat de opgeëiste persoon voldoende is geïntegreerd. Dat de familie van de opgeëiste persoon in Nederland verblijft en dat de opgeëiste persoon het voornemen heeft om de rest van zijn leven in Nederland te werken en wonen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
8.3.
Conclusie
Het verweer wordt verworpen.
9. Slotsom
Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard. […]
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Turkije van [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde rechterlijke uitspraak van de rechtbank te Kirklareli d.d. 17 september 2013 nummer 2013/261.”
IV. De middelen en de bespreking daarvan
Het eerste middel
5. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, valt in twee deelklachten uiteen. In de eerste plaats wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek teneinde navraag te laten doen bij de Turkse autoriteiten “naar het standpunt van verzoeker en duidelijkheid te verkrijgen over de exacte detentieperiode”, althans dat de impliciete afwijzing van dat verzoek onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. [1] De deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
6. Uit het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2021 blijkt dat de raadsvrouw van de opgeëiste persoon overeenkomstig de overgelegde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota het volgende heeft aangevoerd:
De Turkse autoriteiten hebben om uitlevering van [opgeëiste persoon] verzocht met het oog op het vonnis van de Turkse autoriteiten d.d. 17 september 2013, waarvan de Turkse autoriteiten aangeven dat [opgeëiste persoon] nog een deel van de straf moet uitzitten. Client zou veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar en 6 maanden.
Cliënt is ter fine van executie-uitlevering op 1 september jl. aangehouden waarna hij in verzekering is gesteld en sindsdien in uitleveringsdetentie zit.
De Turkse autoriteiten stellen dat cliënt zich heeft onttrokken aan zijn straf en zich op 26 juli 2017 niet heeft gemeld bij de Burdur Open Penal Institution in Turkije terwijl hij daar wel toe verplicht zou zijn.
Uit het proces-verbaal van verhoor/voorgeleiding IVS en uit het verzoekschrift welke op 3 september en op 19 november jl. is ingediend, blijkt dat cliënt hetgeen de Turkse autoriteiten stellen, betwist.
Cliënt stelt dat na de couppoging in Turkije de gevangenissen overvol raakten waardoor o.a. buitenlandse gedetineerden vervroegd in vrijheid werden gesteld.
Cliënt stelt dat hij tezamen met twee medeverdachten in dezelfde zaak vervroegd in vrijheid is gesteld. Het betreft medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wiens namen ook in de stukken van de Turkse autoriteiten voorkomt.
De directeur van de inrichting zou naast cliënt en de medeverdachten ook nog andere buitenlandse gedetineerden vervroegd in vrijheid hebben gesteld.
Het standpunt van cliënt is meteen bij de voorgeleiding kenbaar gemaakt waarna de verdediging de officier van justitie heeft verzocht om onderzoek te doen naar de juistheid van de informatie die is opgenomen in het uitleveringsverzoek.
Op 1 oktober jl. ontving de verdediging een e-mail van het openbaar ministerie met als bijlage een brief van de afdeling internationale rechtshulp in strafzaken (AIRS).
Het AIRS heelt in voornoemde brief te kennen gegeven dat gezien het in uitleveringszaken geldende vertrouwensbeginsel, in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid van de informatie die door de Turkse autoriteiten is opgenomen in het uitleveringsverzoek en dat in het uitleveringsverzoek een duidelijk feitenomschrijving is opgenomen waar geen verduidelijking voor nodig zou zijn.
Het feit dat niet eens de moeite wordt genomen om het standpunt van cliënt in een zaak als deze te verifiëren, bevreemdt mij zeer. Temeer, omdat deze informatie evident is voor de beoordeling van de vordering door uw Rechtbank.
Op maandag 6 december jl. ontving ik wederom een e-mail van het openbaar ministerie met drie bijlagen, te weten een brief van het AIRS ten aanzien van de amnestyregeling, de uitspraak in cassatie in de zaak van cliënt en een link naar de website die in de brief van het AIRS wordt genoemd.
Uit voornoemde brief kan ik niet opmaken of het Openbaar Ministerie nogmaals het verzoek om één en ander uit te zoeken heeft neergelegd bij het AIRS of dat het AIRS naar aanleiding van het eerdere verzoek alsnog informatie heeft ingewonnen over de amnestieregeling in Turkije via de politie-liaison-officier gestationeerd op de Nederlandse ambassade in Ankara.
De amnestiewet voor veroordeelden 1 juli 2016 is mij bekend echter heeft cliënt nooit gesteld dat hij i.v.m. die regeling in vrijheid is gesteld. Overigens als cliënt volgens die regeling in vrijheid zou zijn gesteld, zou hij reeds in 2016 in vrijheid gesteld zijn echter is dit zoals gezegd niet het geval.
Cliënt heeft zoals reeds eerder aangegeven verklaard dat hij in 2017 vervroegd in vrijheid is gesteld, samen met meerdere buitenlandse gedetineerden en dat hij daarna naar Bulgarije is afgereisd. Bij de grensovergang zouden cliënt en 2 medegedetineerden door de Turkse politie zijn gecontroleerd. De Turkse politie heeft aan cliënt gevraagd waarom zijn reisdocument niet was verlengd waarop cliënt de papieren van zijn invrijheidstelling heeft laten zien waarna cliënt toestemming kreeg om Turkije uit te reizen. De politie zou hem daarbij ook verteld hebben dat hij Turkije de komende 5 jaar niet mocht inreizen.
Cliënt is heel stellig in zijn verhaal. Bij deze stand van zaken kan niet zonder meer een beroep worden gedaan op het vertrouwensbeginsel, waarbij er verder geen onderzoek wordt gedaan naar het standpunt van cliënt. Immers, als hetgeen cliënt heeft verklaard klopt, zal deze informatie de uitlevering in de weg staan. Immers, in dat geval zou de informatie afkomstig van de Turkse autoriteiten niet kloppen en zou gelet op artikel 18 vanPro de Uitleveringswet de uitlevering ontoelaatbaar moeten worden verklaard.
Daarnaast is er ook onduidelijkheid mbt tot de data in het uitleveringsverzoek hetgeen eveneens in strijd is met artikel 12 EUVPro en artikel 18 UwPro.
Daarnaast stelt cliënt op zitting ook dat hij geen 5 jaar en 4 maanden maar 6 jaar en 4 maanden heeft vastgezeten.
Primair verzoekt de verdediging uw Rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
Subsidiair verzoekt de verdediging uw Rechtbank gezien het voorgaande de zaak aan te houden en de officier van justitie alsnog op te dragen via het AIRS onderzoek te doen naar het standpunt van cliënt. Het lijkt mij gezien de verklaring van cliënt dat er in ieder geval informatie wordt ingewonnen bij de directie van de Maltepe gevangenis en de grenspolitie bij de grensovergang met Bulgarije, ‘Kapikule’.”
De eerste deelklacht
7. In de eerste deelklacht lees ik (welwillend) twee aangevoerde redenen waarom de rechtbank “ten onrechte” heeft geoordeeld dat de stukken van het uitleveringsverzoek genoegzaam zijn.
8. Ten eerste zou dit oordeel “onbegrijpelijk dan wel, mede in het licht van hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd, ontoereikend gemotiveerd” zijn omdat het feitelijke uitgangspunt van de rechtbank dat de opgeëiste persoon is gevlucht onjuist is, aangezien sprake zou zijn van een vervroegde invrijheidstelling. Daarmee borduren de stellers van het middel voort op hetgeen door de raadsvrouw ter zitting van de rechtbank naar voren is gebracht, te weten dat de mislukte couppoging in 2015 in Turkije tot een zodanige toename van het aantal gedetineerden leidde, dat een aantal buitenlanders vervroegd in vrijheid werd gesteld. Dit argument is door de rechtbank verworpen omdat (i) als uitgangspunt het verdragsrechtelijke vertrouwensbeginsel – het vertrouwen dat tussen Staten onderling bestaat – heeft te gelden, [2] (ii) de rechtbank geen aanwijzing is gebleken dat het uitleveringsverzoek niet op een juiste wijze is opgemaakt of op onjuiste relevante gegevens berust, (iii) het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor de stelling dat de opgeëiste persoon al in 2011 is gedetineerd voor het bedoelde feit [3] en (iv) de verdediging niet met stukken of anderszins een begin van aannemelijkheid heeft geleverd van de onderhavige stelling van de opgeëiste persoon. Ik merk in dit verband nog op dat onder de stukken in het geding zich een schrijven bevindt van het wnd. hoofd van de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) namens de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 december 2021. Daarin staat vermeld dat de minister is geïnformeerd dat de opgeëiste persoon tijdens de voorgeleiding bij de officier van justitie heeft verklaard dat hij op 25 juli 2017 uit de gevangenis in Turkije is vrijgelaten en de minister derhalve is verzocht om informatie omtrent de amnestieregeling in Turkije. De verdere informatie die in dit schrijven gegeven wordt, houdt in dat de minister door de politie-liaison officer die op de Nederlandse ambassade in Ankara (Turkije) is gestationeerd, is gewezen op een nieuwsartikel in de Turkse krant ‘Sözcü’ van 17 augustus 2016 betreffende de Turkse amnestiewet en dat uit dit nieuwsartikel onder meer blijkt dat delicten die betrekking hebben op handel in verdovende middelen uitgesloten zijn van de ‘amnestiewet voor veroordeelden van 1 juli 2016’. Uit dit schrijven volgt dat ook de door AIRS opgevraagde informatie geen reden geeft om aan te nemen dat de door de Turkse autoriteiten verstrekte gegevens op een onjuistheid zouden berusten. [4] Dit alles brengt mij tot de slotsom dat de rechtbank tot het doen van een diepgaander onderzoek niet was gehouden.
9. Ten tweede wordt betoogd dat zich ten aanzien van de in het uitleveringsverzoek genoemde data van de detentieperiode een innerlijke tegenstrijdigheid voordoet, die had moeten leiden tot het oordeel dat de stukken ongenoegzaam zijn. Daarbij wordt erop gewezen dat in het uitleveringsverzoek enerzijds valt te lezen (op pagina 1) dat de opgeëiste persoon op 26 juli 2017 is ontsnapt tijdens de overdracht naar een andere gevangenis (de ‘Burdur Open Penal Institution’), terwijl anderzijds (op pagina’s 3 en 6) bij dat incident 28 september 2015 als datum wordt genoemd. Met deze tegenstrijdigheid was de rechtbank blijkens het proces-verbaal van de zitting echter bekend. Op de zitting van de rechtbank heeft de voorzitter van de uitleveringskamer deze onduidelijkheid nadrukkelijk aan de orde gesteld. [5] Dat de rechtbank hierin geen aanleiding heeft gevonden de verstrekte stukken ongenoegzaam te verklaren, is niet onbegrijpelijk, en ook is dat (impliciete) oordeel niet ontoereikend gemotiveerd. Uit art. 2, eerste lid, EUV volgt immers dat uitlevering mogelijk is indien binnen het gebied van de verzoekende partij een straf of een maatregel is opgelegd die ten minste de duur van vier maanden beloopt. Dat is in de onderhavige zaak hoe dan ook het geval wat betreft de duur van het strafrestant, ongeacht de dag – 26 juli 2017 of 28 september 2015 – waarop de opgeëiste persoon zou zijn gevlucht. [6]
De tweede deelklacht
10. Ook de klacht betreffende het niet-responderen op het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek teneinde navraag te laten doen bij de Turkse autoriteiten “naar het standpunt van verzoeker en duidelijkheid te verkrijgen over de exacte detentieperiode” treft geen doel. Weliswaar heeft de rechtbank niet uitdrukkelijk op dit verzoek gereageerd, maar dat neemt niet weg dat in de overwegingen van de rechtbank over de genoegzaamheid der stukken voldoende duidelijk haar beslissing op het aanhoudingsverzoek besloten ligt, ook gezien de feitelijke oordelen van de rechtbank dat het op de weg van de verdediging had gelegen haar standpunt aannemelijk te maken en dat “de verdediging niet met stukken of anderszins een begin van aannemelijkheid heeft geleverd van de stelling van de opgeëiste persoon”, en haar gevolgtrekking dat de stukken voldoen aan de eisen van art. 12, tweede lid, EUV betreffende de genoegzaamheid der stukken. [7]
11. Het eerste middel faalt in alle onderdelen.
Het tweede middel
12. Het tweede middel bestaat uit een primaire klacht en een subsidiaire klacht. Primair wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het uitleveringsverzoek zich mede uitstrekt over de door de Turkse rechter aan de opgeëiste persoon “opgelegde proceskostenveroordeling en geldboete (dan wel de daarvoor in de plaats gekomen vervangende hechtenis)”. Subsidiair houdt de klacht in dat de rechtbank ten onrechte de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar heeft verklaard “voor zover deze strekt tot tenuitvoerlegging van voormelde proceskostenveroordeling en geldboete (dan wel de daarvoor in de plaats gekomen vervangende hechtenis)”. Volgens de stellers van het middel lijdt “de bestreden uitspraak als gevolg daarvan aan nietigheid”.
13. De rechtbank heeft blijkens het hoofd “1. Procedure” in het bestreden arrest het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon aldus opgevat dat het enkelziet op de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Noch bij haar oordeel over de reikwijdte van het uitleveringsverzoek, noch bij haar oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering, heeft de rechtbank de in de schriftuur bedoelde geldboete en proceskostenveroordeling betrokken.
14. De uitspraak van de rechtbank laat zich niet anders verstaan dan dat het uitleveringsverzoek, haar oordelen dienaangaande en haar beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije uitsluitend betrekking hebben op de (verdere) tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf. Het middel gaat uit van een andere lezing van het verzoek tot uitlevering en van de bestreden uitspraak, en dat brengt mee dat zowel de primaire klacht als de subsidiaire klacht feitelijke grondslag mist. Het middel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.
15. Overigens zij nog het volgende opgemerkt. Eenzelfde beperking tot enkel de opgelegde gevangenisstraf als hier bedoeld volgt ook uit de Nota van de Turkse autoriteiten d.d. 28 april 2021. Deze Nota houdt namelijk in dat de uitlevering “is sought on the grounds of the arrest warrant (pertaining to the convicts) issued by Kirklareli Chief Public Prosecutor's Office for committing the crime of "Trade or procurement of narcotics or psychotropic substances". Deze ‘arrest warrant’ (aanhoudingsbevel) van 31 juli 2017 noemt achter “Amount of the penalty” louter de door de Turkse rechtbank opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren en zes maanden. Hetzelfde geldt voor de, bij het uitleveringsverzoek gevoegde, “File Examination Minutes” en de “Annotation of Finalization”. Ook in het uitleveringsverzoek zelf lees ik niet dat het op méér betrekking heeft dan de verdere tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. De geldboete en proceskostenvergoeding worden daarin slechts (zijdelings) genoemd in het verband van de mededeling waartoe de opgeëiste persoon in Turkije bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld. Bovendien wijs ik erop dat in het onderhavige uitleveringsverzoek wordt geattendeerd op het bestaan van (kennelijk) een ander aanhoudingsbevel dat specifiek op de geldboete betrekking heeft: “Service of documents related with the fine was completed. Since the penalty in question is required to be executed in prison, as he had escaped, an arrest warrant was issued about this penalty as well.”
16. Het tweede middel faalt.
Het derde middel
17. Het derde middel klaagt primair dat de rechtbank “door te oordelen dat het beroep van verzoeker op de "Raugevicius"-jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2018:898) niet opging, [heeft] miskend dat het niet aan de uitleveringsrechter maar aan de Minister is om over een dergelijk verweer te oordelen gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen beide”. Subsidiair klaagt het middel dat de rechtbank het beroep op deze "Raugevicius"-jurisprudentie heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
18. Voor de bespreking van dit middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 6, eerste lid, EUV (in de Nederlandse vertaling):
(a) Iedere Verdragsluitende Partij is bevoegd de uitlevering van haar onderdanen te weigeren.
(b) Iedere Verdragsluitende Partij kan in een verklaring afgelegd bij ondertekening of bij nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding, een definitie geven van de betekenis die de uitdrukking „onderdanen” in het onderhavige Verdrag voor haar heeft.
(c) De hoedanigheid van onderdaan wordt beoordeeld naar de toestand op het ogenblik van de beslissing over de uitlevering. Niettemin kan de aangezochte Partij zich eveneens op het bepaalde onder (a) beroepen, indien de hoedanigheid van onderdaan eerst is toegekend tussen het tijdstip der beslissing en de voor de overlevering voorziene datum.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van Onze Minister is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende Staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
19. Ingevolge art. 4, eerste lid, Uw worden Nederlanders (en daarmee gelijkgestelden) dus niet uitgeleverd. Deze hoofdregel geldt in absolute zin indien het gaat om een uitleveringsverzoek ter executie. [8] In dat geval is de uitleveringsrechter bevoegd en zelfs ertoe gehouden de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. [9] In de onderhavige zaak is sprake van een uitleveringsverzoek ter (verdere) executie.
20. De uitzondering die in het tweede lid van art. 4 UwPro op de hoofdregel wordt gemaakt, betreft enkel het geval waarin de uitlevering wordt verzocht ter fine van vervolging. Het is van belang daarbij op te merken dat dan wel naar het oordeel van de minister van Justitie en Veiligheid moet zijn gewaarborgd dat de opgeëiste persoon de vrijheidsstraf, zo deze aan hem door de verzoekende staat wordt opgelegd, in Nederland zal mogen ondergaan. [10] Zoals de tekst van art. 4, tweede lid, expliciet tot uitdrukking brengt, is de bevoegdheid tot oordelen hier exclusief in handen van de Minister gelegd. De uitleveringsrechter is daartoe niet bevoegd. [11]
21. Beide leden van art. 4 stemmenPro overeen met de verklaring die Nederland op grond van de in art. 6, eerste lid onder b, EUV gegeven bevoegdheid heeft afgelegd. [12] Daarnaast verdient opmerking dat art. 6 EUVPro handelt over (in de Nederlandse vertaling) “onderdanen”. Wat betreft de uitleg van het begrip ‘onderdaan’, biedt art. 6 EUVPro de mogelijkheid aan de lidstaat dit begrip zelf te definiëren. [13] In het EU-kader heeft Nederland het bestaande regime voor uitlevering van eigen onderdanen en daarmee gelijkgestelde personen gehandhaafd door gebruik te maken van de voorziene bevoegdheid een voorbehoud te maken dat inhoudelijk identiek is aan de door Nederland bij art. 6 EUVPro afgelegde verklaring. [14] Het voorbehoud impliceert dat evenmin personen worden uitgeleverd die zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving voor zover zij in Nederland kunnen worden vervolgd voor de feiten die aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen en voor zover ten aanzien van hen de verwachting is gerechtvaardigd dat zij niet hun recht van verblijf in Nederland verliezen ten gevolge van een hun na uitlevering opgelegde straf of maatregel. [15] Wie als zodanig zijn te beschouwen is een oordeel dat is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid. [16] Ook deze bevoegdheid komt dus niet toe aan de uitleveringsrechter. Als ik goed zie kan uit HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2232, NJ2001/163 worden afgeleid dat naar het oordeel van de Hoge Raad (strafkamer) hetzelfde geldt voor (kort gezegd) de executie-uitlevering. [17]
22. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: Hof van Justitie en HvJEU) heeft in de arresten Petruhhin [18] en Pisciotti [19] uiteengezet welke verplichtingen een lidstaat van de Europese Unie heeft indien een derde land verzoekt om uitlevering met het oog op strafrechtelijke vervolging van een burger van de Unie die zich bevindt op het grondgebied van die lidstaat, maar onderdaan is van een andere lidstaat. Voor de beoordeling van het derde middel is evenwel belangrijker dat het Hof van Justitie zich inmiddels heeft uitgesproken over eenzelfde thematiek maar nu in het kader van de executie-uitlevering, en wel in de Finse zaak Raugevicius. [20] De Korkein oikeus, de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken in Finland, had op verzoek van het Finse ministerie van Justitie een aantal prejudiciële vragen geformuleerd en aan het Hof van Justitie voorgelegd, die betrekking hebben op de regels omtrent een verzoek om executie-uitlevering door een derde land aan een lidstaat van de Europese Unie ten aanzien van een Unieburger die zich bevindt op het grondgebied van de aangezochte lidstaat, maar die onderdaan is van een andere lidstaat. [21]
23. De uitspraak van het Hof van Justitie houdt (in de Nederlandse vertaling) onder meer het volgende in:
“27. In dit verband zij eraan herinnerd dat een Unieburger als Raugevicius – een onderdaan van een lidstaat, in casu de Republiek Litouwen – die zich heeft begeven naar een andere lidstaat, in casu de Republiek Finland, heeft gebruikgemaakt van zijn vrijheid van verkeer, zodat zijn situatie valt binnen de werkingssfeer van artikel 18 VWEUPro, waarin het principiële verbod van discriminatie op grond van nationaliteit is neergelegd (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 31).
28. Voorts wordt bij een nationale regel die de uitlevering van uitsluitend de Finse staatsburgers verbiedt, een verschil in behandeling tussen die staatsburgers en de onderdanen van andere lidstaten ingevoerd. Aldus leidt een dergelijke regel tot een ongelijke behandeling die van invloed kan zijn op de vrijheid van deze onderdanen van andere lidstaten om in de Unie te reizen (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 32).
[…]
30. Hieruit volgt dat in een situatie als die van het hoofdgeding de ongelijke behandeling die erin bestaat dat een Unieburger die onderdaan van een andere lidstaat is, zoals Raugevicius, kan worden uitgeleverd, tot een beperking van het vrije verkeer in de zin van artikel 21 VWEUPro leidt (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 33).
31. Een dergelijke beperking kan enkel worden gerechtvaardigd indien zij berust op objectieve overwegingen en evenredig is aan het door het nationale recht op legitieme wijze nagestreefde doel (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32. In dit verband heeft het Hof erkend dat het doel van voorkoming van straffeloosheid van personen die een strafbaar feit hebben begaan, legitiem moet worden geacht en een rechtvaardiging voor een beperkende maatregel kan vormen, mits deze maatregel noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen die hij beoogt te waarborgen en de nagestreefde doelstellingen niet met minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punten 37 en 38).
33. Het Hof heeft dan ook in punt 39 van het arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C‑182/15, EU:C:2016:630), geoordeeld dat uitlevering een procedure is die strekt tot het tegengaan van straffeloosheid van een persoon die zich bevindt op een ander grondgebied dan dat waarop hij een strafbaar feit zou hebben gepleegd. In dat arrest, dat betrekking had op een verzoek tot uitlevering met het oog op strafvervolging, heeft het Hof – in datzelfde punt – opgemerkt dat de niet-uitlevering van eigen onderdanen in het algemeen wordt gecompenseerd door de aan de aangezochte lidstaat ter beschikking staande mogelijkheid om zijn eigen onderdanen te vervolgen voor ernstige strafbare feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, terwijl deze lidstaat in de regel ter zake van deze feiten geen jurisdictie heeft wanneer dader noch slachtoffer van het vermeende strafbare feit de nationaliteit van die lidstaat heeft. Het Hof heeft hieruit de gevolgtrekking gemaakt dat uitlevering aldus voorkomt dat strafbare feiten die op het grondgebied van een staat zijn gepleegd door personen die dit grondgebied zijn ontvlucht, onbestraft blijven.
34. De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of deze overwegingen ook gelden in het geval van een verzoek tot uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf.
[…]
36. Het feit dat het ne-bis-in-idembeginsel, zoals dit wordt gewaarborgd door het nationale recht, eraan in de weg kan staan dat een lidstaat vervolging instelt tegen personen die het voorwerp uitmaken van een verzoek tot uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, neemt evenwel niet weg dat er in het nationale en/of in het internationale recht mechanismen bestaan die moeten voorkomen dat de betrokken personen onbestraft blijven en die het mogelijk maken dat deze personen hun straf met name uitzitten in de staat waarvan zij onderdaan zijn, waardoor hun kansen op sociale re‑integratie na het uitzitten van hun straf toenemen.
37. Dit geldt inzonderheid voor het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, waarbij zowel alle lidstaten als de Russische Federatie partij zijn. Dit verdrag biedt een persoon die is gevonnist op het grondgebied van een staat die partij is bij dat verdrag, namelijk de mogelijkheid om – overeenkomstig artikel 2 vanPro het verdrag – te verzoeken om te worden overgebracht naar het grondgebied van zijn land van herkomst teneinde aldaar de tegen hem uitgesproken veroordeling te ondergaan. Volgens de preambule van het verdrag heeft een dergelijke overbrenging onder meer tot doel de reclassering van gevonniste personen te bevorderen door vreemdelingen die gedetineerd zijn ten gevolge van het plegen van een strafbaar feit, in de gelegenheid te stellen hun veroordeling binnen hun eigen samenleving te ondergaan (zie in die zin arrest van 20 januari 2005, Laurin Effing, C‑302/02, EU:C:2005:36, punten 12 en 13).
38. Voorts bieden bepaalde staten, waaronder de Republiek Finland, hun eigen onderdanen ook de mogelijkheid om een in een andere staat opgelegde straf uit te zitten op hun grondgebied.
39. Bijgevolg dient ten aanzien van een verzoek tot uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf te worden opgemerkt dat de aangezochte lidstaat weliswaar niet noodzakelijk vervolging kan instellen tegen zijn eigen onderdanen, maar dat er niettemin mechanismen bestaan die het mogelijk maken dat die onderdanen hun straf uitzitten op het grondgebied van die lidstaat. Daartegenover staat dat door uitlevering kan worden voorkomen dat Unieburgers die geen onderdaan van de betrokken lidstaat zijn, zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van hun straf.
40. Aangezien uitlevering, zoals in punt 33 van dit arrest in herinnering is gebracht, de straffeloosheid van onderdanen van andere lidstaten dan de aangezochte lidstaat kan voorkomen en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling het mogelijk maakt om onderdanen van andere lidstaten dan de Republiek Finland uit te leveren, dient te worden onderzocht of deze regeling evenredig is. Daartoe moet worden nagegaan of er – rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, feitelijk en rechtens – maatregelen bestaan waarmee dat doel op even doeltreffende wijze kan worden bereikt, maar die de vrijheid van verkeer van die onderdanen van andere lidstaten in geringere mate schendt (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 41).
41. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Raugevicius zich tegen zijn uitlevering heeft verzet op grond dat hij reeds lange tijd in Finland woont en vader is van twee in deze lidstaat verblijvende kinderen die de Finse nationaliteit bezitten. Deze omstandigheden zijn niet betwist in het kader van de procedure voor het Hof. Derhalve valt niet uit te sluiten dat Raugevicius kan worden aangemerkt als een vreemdeling met vaste verblijfplaats in Finland als bedoeld in § 3, tweede alinea, van de wet betreffende de internationale samenwerking op het gebied van de tenuitvoerlegging van bepaalde strafrechtelijke sancties.
42. Indien dat het geval is, volgt uit deze bepaling dat Raugevicius op het Finse grondgebied de straf kan uitzitten waartoe hij in Rusland is veroordeeld, mits laatstgenoemde staat en Raugevicius zelf daarmee instemmen.
43. In dit verband zij eraan herinnerd dat de hoedanigheid van Unieburger volgens vaste rechtspraak de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten dient te zijn (zie met name arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C‑184/99, EU:C:2001:458, punt 31; 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C‑34/09, EU:C:2011:124, punt 41, en 5 juni 2018, Coman e.a., C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 30).
44. Elke Unieburger kan zich dus op het in artikel 18 VWEUPro neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit beroepen in alle binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht vallende situaties. Deze situaties kunnen, zoals in het hoofdgeding, ook verband houden met de uitoefening van de bij artikel 21 VWEUPro verleende fundamentele vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (zie arresten van 4 oktober 2012, Commissie/Oostenrijk, C‑75/11, EU:C:2012:605, punt 39, en 11 november 2014, Dano, C‑333/13, EU:C:2014:2358, punt 59).
45. Daarbij komt dat de lidstaten, bij gebreke van Unierechtelijke voorschriften inzake de uitlevering van onderdanen van de lidstaten aan Rusland, weliswaar bevoegd blijven om dergelijke voorschriften vast te stellen, maar deze bevoegdheid moeten uitoefenen met inachtneming van het Unierecht, inzonderheid het in artikel 18 VWEUPro neergelegde discriminatieverbod en de door artikel 21, lid 1, VWEU gewaarborgde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
46. Uit het oogpunt van de doelstelling die erin bestaat straffeloosheid te voorkomen, bevinden enerzijds Finse staatsburgers en anderzijds onderdanen van andere lidstaten met vaste verblijfplaats in Finland die aldus blijk geven van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze staat, zich in een vergelijkbare situatie (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C‑123/08, EU:C:2009:616, punt 67). Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of Raugevicius behoort tot deze categorie van onderdanen van andere lidstaten.
47. Bijgevolg vereisen de artikelen 18 en 21 VWEU dat onderdanen van andere lidstaten die permanent in Finland verblijven en die het voorwerp uitmaken van een uitleveringsverzoek dat door een derde land is ingediend met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, voordeel trekken van de voor Finse staatsburgers geldende regel die uitlevering verbiedt, alsook dat zij onder dezelfde voorwaarden als Finse staatsburgers hun straf kunnen uitzitten op het Finse grondgebied.
48. Indien een burger als Raugevicius daarentegen niet kan worden geacht permanent in de aangezochte lidstaat te verblijven, wordt de kwestie van zijn uitlevering geregeld door het toepasselijke nationale of internationale recht.
49. Gepreciseerd dient tevens te worden dat de aangezochte lidstaat die overweegt een onderdaan van een andere lidstaat uit te leveren op verzoek van een derde land, moet nagaan of deze uitlevering geen afbreuk doet aan de rechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 19 daarvanPro (zie in die zin arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 60).
50. Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat de artikelen 18 en 21 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een derde land verzoekt om de uitlevering van een Unieburger die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, en dit verzoek niet wordt ingediend met het oog op strafvervolging maar met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, de aangezochte lidstaat waarvan het nationale recht zich verzet tegen de uitlevering van eigen onderdanen aan landen buiten de Unie met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf en voorziet in de mogelijkheid dat een dergelijke in het buitenland opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd op zijn grondgebied, gehouden is te waarborgen dat die Unieburger, wat uitlevering betreft, op dezelfde wijze wordt behandeld als de eigen onderdanen van de betrokken lidstaat indien hij permanent op het grondgebied van deze lidstaat verblijft.”
24. Uit het Raugevicius-arrest van het Hof van Justitie volgt wellicht nadrukkelijker dan daarvoor dat in het bedoelde geval de lidstaten ertoe zijn gehouden te waarborgen dat de Unieburger die zich bevindt op het grondgebied van een andere Unielidstaat “wat uitlevering betreft, op dezelfde wijze wordt behandeld als de eigen onderdanen van de betrokken lidstaat indien hij permanent op het grondgebied van deze lidstaat verblijft” (rov. 50) en daarmee blijk geeft van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze lidstaat (rov. 46). Het is aan de lidstaat zelf om de criteria te omschrijven ter beantwoording van de vraag of volgens zijn nationaal recht sprake is van permanent verblijf.
25. Zoals gezegd is naar Nederlands recht de beslissing over de vraag of de uitlevering van een opgeëiste persoon behoort te worden geweigerd omdat hij is te beschouwen als een in Nederland geïntegreerde vreemdeling in de betekenis van de Nederlandse verklaring bij art. 6 EUVPro, voorbehouden aan de Minister. Daarin lijkt geen verandering te zijn gebracht met het Raugevicius-arrest. Een aanknopingspunt voor die gedachte meen ik te kunnen vinden in het arrest van 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1690, NJ2022/63, waarin de civiele kamer van de Hoge Raad de betekenis heeft uiteengezet van de Raugevicius-uitspraak van het Hof van Justitie. In dit arrest van de civiele kamer – het betrof een kort geding – wordt onder meer het volgende door de Hoge Raad overwogen (de voetnoot is weggelaten):
“3.3.5 Verder volgt uit het arrest Raugevicius dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verzoek tot uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, moet worden onderzocht of [de opgeëiste persoon] permanent op het grondgebied van de Staat verblijft als bedoeld in dat arrest en dat, indien dat het geval is, hij wat betreft uitlevering op dezelfde wijze moet worden behandeld als de eigen onderdanen van de Staat. In dat verband is van belang dat Nederlandse onderdanen op grond van art. 4 UitleveringswetPro en art. 6 vanPro het Europees Uitleveringsverdrag niet worden uitgeleverd voor de tenuitvoerlegging van een straf en dat in plaats daarvan de opgelegde straf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd onder de voorwaarden, genoemd in onder meer de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
Het hof heeft evenwel niet onderzocht of [de opgeëiste persoon] permanent op het grondgebied van de Staat verblijft als bedoeld in het arrest Raugevicius en zo ja, of dat meebrengt dat de straf van [de opgeëiste persoon] in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd en dan ook, overeenkomstig het arrest Raugevicius, dient te worden gelegd. Daarmee slaagt ook de hiervoor in 3.2 weergegeven klacht in het incidentele beroep.
26. Het was volgens de Hoge Raad in deze zaak aan het hof om te onderzoeken of de opgeëiste persoon permanent op het grondgebied van de Staat verblijft. Voor de goede orde: daarmee wordt niet gezegd dat de beoordelingsbevoegdheid of iemand is te beschouwen als een in Nederland geïntegreerde vreemdeling in de zin van de Nederlandse verklaring bij art. 6 EUVPro, toekomt aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist. Als hiervoor al meermalen opgemerkt is die beslissing voorbehouden aan de Minister. In voormeld arrest van 1 november 2019 bedoelt de Hoge Raad dat de voorzieningenrechter ter toetsing onderzoek moet doen naar de houdbaarheid van de beslissing van de Minister, zo dit punt in kort geding ter discussie wordt gesteld. Ook in deze uitspraak van de Hoge Raad ligt, lijkt mij, besloten dat het oordeel omtrent de vraag of de opgeëiste persoon een gewortelde vreemdeling is in de zin van de door Nederland bij art. 6 EUVPro afgelegde verklaring toekomt aan de Minister. Dat ligt mijns inziens in lijn met het arrest van (de strafkamer van) HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2232, NJ2001/163, door mij hierboven in randnummer 21 aangehaald.
27. Het voorafgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank in de voorliggende zaak zich had moeten onthouden van een beoordeling en beslissing inzake de vraag of de opgeëiste persoon een in de Nederlandse samenleving geïntegreerde vreemdeling als hier bedoeld is en had zij het oordeel daarover aan de Minister moeten overlaten. [22]
28. Tot cassatie zal deze bevoegdheidsoverschrijding echter wegens gebrek aan belang niet hoeven leiden indien Uw Raad tot een verwerping van het beroep komt. In dat geval kan de Minister overeenkomstig (kort gezegd) de voorgeschreven bevoegdheidsverdeling tussen hem en de rechter aangaande beslispunten in uitleveringszaken daarover zelfstandig een beslissing nemen.
Het vierde middel
29. Het vierde middel klaagt dat de uitspraak van de rechtbank niet voldoet aan de in art. 28 UwPro neergelegde eis dat zij een voldoende duidelijke vermelding dient te bevatten van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
30. Art. 28, derde lid, Uw schrijft voor dat wanneer de rechtbank bij haar uitspraak de uitlevering toelaatbaar verklaart, zij de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen, alsmede het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, vermeldt. Die vermelding dient voldoende specifiek te zijn. [23] Blijkens HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1764, NJ2000/491 is aan het bepaalde in art. 28, derde lid, Uw voldaan indien in de uitspraak met voldoende duidelijkheid wordt ‘verwezen naar’ enig stuk dat al dan niet aan de uitspraak is gehecht.
31. In de uitspraak van de rechtbank staat onder het hoofd “2. Verzoek” het volgende vermeld:
“De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een uitspraak van de Turkse rechtbank te Kirklareli van 17 september 2013, nummer 2013/261. Het Turkse Hof van Cassatie heeft die uitspraak bevestigd bij arrest van 4 mei 2015. Een verklaring van de rechtbank van 18 juni 2015, inhoudende dat de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk is, bevindt zich bij de stukken. Van een gedeelte van de uitspraak van de rechtbank is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.”
Dit tussen haken geplaatste tekstgedeelte houdt in: [24]
“OFFENCE: Trade or Procurement of Narcotics or Psychotropic Substances
DATE/TIME OF OFFENCE: 16/03/2012 – Hour: at around 17.00
PLACE OF OFFENCE: Kirklareli – Dereköy”
Het dictum luidt:
“verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Turkije van [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde rechterlijke uitspraak van de rechtbank te Kirklareli d.d. 17 september 2013 nummer 2013/261.”
32. Het komt mij voor dat de bestreden uitspraak daarmee in het dictum in voldoende mate duidelijk maakt ter zake van welk feit de uitlevering van verzoeker door de rechtbank toelaatbaar is verklaard. [25] Het middel berust zo bezien op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en mist derhalve feitelijke grondslag zodat het niet tot cassatie kan leiden. Voor zover geoordeeld moet worden dat hier toch sprake is van een tekortkoming, dan is dit er een die de Hoge Raad zelf kan herstellen door te doen wat de rechtbank had behoren te doen. [26]
33. Het middel is hoe dan ook tevergeefs voorgesteld.
V. Slotsom
34. Het eerste middel, het tweede middel en het vierde middel falen. Het derde middel is terecht voorgesteld maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
35. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De informatie die namens de opgeëiste persoon is verzocht, werd op de zitting van de rechtbank door de verdediging van belang geacht om een verder gelegen standpunt te kunnen onderbouwen, namelijk dat door het systeem van vervroegde invrijheidstelling geen te executeren straf meer in Turkije bestaat. Dit punt keert in de cassatieschriftuur niet terug, ook niet in het eerste cassatiemiddel en de toelichting daarop, en laat ik dan ook in mijn conclusie rusten.
2.Het vertrouwensbeginsel bestrijkt ook de door de verzoekende Staat verstrekte informatie over een strafzaak.
3.Hetgeen in deze zaak van belang is, omdat de bedoelde amnestieregeling vereist dat de opgeëiste persoon minstens de helft (i.c. zes jaren en drie maanden) van de straf heeft uitgezeten alvorens hij voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt.
5.Proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank Rotterdam van 8 december 2021, p. 1-2.
6.De verwijzing naar twee verschillende data die ruim twee jaar uit elkaar liggen kan weliswaar als een slordigheid worden aangemerkt (hoewel ik niet uitsluit dat 2017 een verschrijving is en 2015 wordt bedoeld, maar dan nog is er een tijdsverschil) en is in de kern voor de onderhavige cassatieprocedure niet van belang, maar laat uiteraard onverlet dat uiteindelijk bij de daadwerkelijke executie van het restant van de opgelegde gevangenisstraf wel precies zal moeten komen vast te staan op welke datum de opgeëiste persoon feitelijk is ontsnapt.
7.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens van 14 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:532 (onderdeel 8). De Hoge Raad deed de zaak op dit punt af met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering; zie HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:931.
8.Zie bijvoorbeeld
9.HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6195, HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6197 en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6200 (betreffende art. 7, eerste lid, (oud) EUV, bezien in samenhang met het voorbehoud dat Nederland bij die bepaling heeft gemaakt). Zie ook V.H. Glerum,
10.Gesproken wordt van de terugkeergarantie. Ook wordt in dit verband in de regel gewaarborgd (door de Minister) dat de door de verzoekende staat opgelegde gevangenisstraf eventueel wordt omgezet in een vrijheidsbeneming die (meer) bij de Nederlandse maatstaven past.
17.In die zin kennelijk ook S.M.A. Lestrade in T&C-ISR, art. 4, aant. 1 (actueel t/m 1 januari 2022) en Glerum,
18.HvJEU 6 september 2016, ECLI:EU:C:2016:630 (Petruhhin).
19.HvJEU 10 april 2018, ECLI:EU:C:2018:222 (Pisciotti).
20.HvJEU 13 november 2018, ECLI:EU:C:2018:898.
21.Met deze alinea heb ik aangesloten bij de formulering die de civiele kamer van de Hoge Raad heeft gebruikt in zijn rechtsoverwegingen 3.3.2 en 3.3.3 in het arrest van 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1690.
22.Bijzonder is wel, ook met het oog op de klacht in de schriftuur, dat de raadsvrouw van de opgeëiste persoon op de zitting van de rechtbank zo uitvoerig een verweer op dit onderdeel heeft gevoerd tegenover de rechtbank. Zie de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota onder het kopje “Artikel 4 UitleveringswetPro - artikel 6 EuropeesPro Uitleveringsverdrag”.
24.Overigens is op dat document nóg een gedeelte (met de hand) tussen haken geplaatst, maar dat betreft de persoonsgegevens en detentiegegevens van de opgeëiste persoon en enige gegevens van de advocaten die hem in Turkije bijstonden.
25.Ik wijs er ook nog op dat onder het hoofd “6. Dubbele strafbaarheid” door de rechtbank is opgenomen: “Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar, te weten als medeplegen van handel in- of inkoop van verdovende middelen of psychotrope stoffen, strafbaar gesteld bij artikel 188 vanPro het Turkse Wetboek van Strafrecht (nummer 5237). Ter zake van dat feit kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar”.
26.Een duidelijker omschrijving van de feiten is wel opgenomen in het uitleveringsverzoek zelf en in het vonnis van de Turkse rechter.